RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 21/1486 en 21/1487 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. J.H. Sligchers) en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur 1Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 februari 2021. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en premie Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen is aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen gehandhaafd. 1.4. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 18 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 2Feiten 2.1. Belanghebbende was van [periode 2012 - 2018] enige aandeelhouder van [B.V.] Volgens de aangiften vennootschapsbelasting wordt vanaf 2017 met deze vennootschap geen omzet gegenereerd. Deze vennootschap is vanaf [datum 1] 2018 opgehouden te bestaan. Verder oefende belanghebbende onder de naam [eenmanszaak 1] een onderneming in de vorm een eenmanszaak uit. Deze onderneming is met ingang van [datum 2] 2018 opgeheven. Met ingang van [datum 3] 2020 is belanghebbende eigenaar van de eenmanszaak [eenmanszaak 2] . De activiteiten bestaan uit de in- en verkoop van tweedehands auto’s. 2.2. Op 11 augustus 2017 heeft in het kader van een witwasonderzoek een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van belanghebbende op het terrein van camping [camping] . Ook heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de auto van belanghebbende. 2.3. Bij deze doorzoeking zijn 36 blokken cocaïne aangetroffen en grondstoffen voor de productie van MDMA. Verder zijn er onder meer vijf mobiele telefoons aangetroffen die over software beschikken die niet uit te lezen is, twee jammers, een vacuümmachine en een geldtelmachine. Daarnaast is contant geld in voornamelijk grote coupures aangetroffen. 2.4. Bij vonnis van 20 februari 2018 is belanghebbende door de rechtbank Overijssel strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben gehad van 36 kilogram cocaïne, 108 kilogram MDMA en voor het witwassen van € 135.410. Dat bedrag werd verbeurd verklaard. 2.5. Belanghebbende heeft op 5 augustus 2019 voor 2017 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.215 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Op 17 september 2019 zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw conform de aangifte vastgesteld. Daarnaast is voor het te laat indienen van de aangifte bij beschikking een verzuimboete van € 369 opgelegd. 2.6. Naar aanleiding van de strafrechtelijke veroordeling zijn op 30 oktober 2019 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2017 aangekondigd. Bij de vaststelling van de aanslagen is ervan uitgegaan dat belanghebbende de aankoopsom van de in 2017 aangetroffen cocaïne en het toen aangetroffen contante geld moet hebben verdiend met werkzaamheden in dat jaar. De inkoopwaarde van de aangetroffen cocaïne is bepaald op € 25.000 per kilogram of totaal € 900.000. Als resultaat uit overige werkzaamheden is in aanmerking genomen € 900.000 plus € 135.410 oftewel € 1.035.410. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 269.170, te weten 50% van de meer verschuldigde IB/PVV. Daarbij is € 35.590 aan belastingrente in rekening gebracht. 2.7. De navorderingsaanslag Zvw is opgelegd naar een maximum bijdrage-inkomen van € 53.701. Daarbij is € 125 aan belastingrente in rekening gebracht. 2.8. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de inspecteur op 17 april 2020 aan belanghebbende een brief verzonden waarin, voor zover hier van belang, staat vermeld: “U stelt terecht dat in het kader van de samenloop en afstemming tussen belastingheffing en strafrechtelijke ontneming is afgesproken dat de ontneming van strafrechtelijk verkregen voordelen zich niet in de vermogenssfeer afspeelt. Dit betekent dat het ontnomen bedrag voor de belastingheffing aangemerkt wordt als aftrekbare kosten waardoor er ten aanzien van het ontnomen bedrag per saldo geen belastingheffing plaatsvindt. Uit de jurisprudentie hierover blijkt echter dat er pas sprake is van aftrekbare kosten op het moment dat de ontnemingsvordering onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat het verbeurd verklaarde bedrag in 2018 als kosten genomen mag worden. Nu uw cliënt in 2018 geen inkomen heeft genoten, heeft dit tot gevolg dat het alsdan ontstane negatieve inkomen met de drie voorafgaande jaren mag worden verrekend. Omdat verrekening dan voor een substantieel bedrag met het in 2017 genoten inkomen plaatsvindt, ga ik ermee akkoord dat het gehele bedrag met dit jaar verrekend wordt waardoor het nu vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning met € 135.410 verminderd kan worden.” 2.9. Bij het doen van de uitspraken op bezwaar is de inspecteur op deze toezegging teruggekomen. In de uitspraak op bezwaar staat hierover, voor zover hier van belang, vermeld: “In mijn brief van 17 april 2020 heb ik aangegeven dat, nu de aangetroffen contanten belanghebbende ontnomen zijn, dit bedrag aangemerkt wordt als aftrekbare kosten waardoor ten aanzien van de ontnomen € 135.410 geen belastingheffing plaatsvindt. Echter, genoemd bedrag is ontnomen als bijkomende straf. Dit betekent dat de ontneming een puur punitief karakter heeft. Hierdoor komt het ontnomen bedrag ingevolge artikel 3.14 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 niet voor aftrek in aanmerking.” 2.10. De bezwaren van belanghebbende zijn in de uitspraken op bezwaar van 24 februari 2021 ongegrond verklaard. 3Beoordeling door de rechtbank 3.1. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3.2. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Opgewekt vertrouwen? 3.3. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat, zoals in de brief van 17 april 2020 staat vermeld, het verbeurd verklaarde bedrag van € 135.410 in aftrek mag worden gebracht in het jaar 2017. 3.4. De rechtbank volgt niet de stelling van de inspecteur, dat van in rechte te honoreren vertrouwen geen sprake is omdat in de brief van 17 april 2020 enkel wordt gesproken over een ontnemingsvordering en niet over een verbeurdverklaring. Die stelling is feitelijk onjuist, omdat in de brief zowel de term ontnemingsvordering als verbeurdverklaring wordt gebruikt. Ook in de correspondentie van de gemachtigde van belanghebbende over de aftrek worden die termen door elkaar gebruikt. Kennelijk waren beide partijen in 2020 van mening dat ontneming en verbeurdverklaring fiscaal hetzelfde moeten worden behandeld. In elk geval kan niet worden gezegd dat de inspecteur door de gemachtigde op het verkeerde been is gezet. Nu de toezegging in de brief van 17 april 2020 ondubbelzinnig is, is bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat die toezegging wordt nagekomen. Het in de brief ingenomen standpunt dat een verbeurd verklaard bedrag aftrekbaar is, net zoals een ontnomen bedrag, is naar het oordeel van de rechtbank niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet op nakoming zou mogen rekenen. 3.5. Het bedrag van € 135.410 mag derhalve in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning in het onderhavige jaar. De hoogte van het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden 3.6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat het bedrag van € 900.000 terecht is aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden c.q. tot het bijdrage-inkomen is gerekend, gezien de omstandigheid dat belanghebbende is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben gehad van cocaïne en niet aannemelijk is dat hij de cocaïne voor een ander hield. Belanghebbende moet de aankoop van de cocaïne hebben gefinancierd uit een bij de Belastingdienst onbekende inkomstenbron uit 2017, aldus de inspecteur. De inspecteur beroept zich op omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat niet de vereiste aangifte is gedaan. 3.7. In artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is bepaald – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). 3.8. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. onder andere HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47). 3.9. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende in het onderhavige jaar meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. De inspecteur heeft daartoe gesteld dat belanghebbende, gezien de aanwezigheid van de verdovende middelen en de aangetroffen gelden, werkzaamheden met betrekking tot verdovende middelen moet hebben verricht en dat hij daarvoor een vergoeding moet hebben ontvangen van ten minste € 10.000. Ter zitting heeft de inspecteur nader toegelicht dat dit bedrag geen onderdeel uitmaakt van het aangetroffen contante geldbedrag van € 135.410. 3.10. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2017 aanzienlijke bedragen moet hebben verdiend. Gezien de grote hoeveelheden cocaïne en MDMA die zijn aangetroffen en de middelen die zijn gevonden voor het produceren van MDMA acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in het kader van productie en/of handel in MDMA en voor werkzaamheden in verband met cocaïne naast het in contanten aangetroffen bedrag van € 135.410, ten minste € 10.000 moet hebben verdiend. Het aangegeven inkomen is derhalve, ook wanneer rekening wordt gehouden met de in 2.8 weergegeven toezegging, € 10.000 te laag. Daardoor is het bedrag aan volgens de aangifte IB/PVV verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat bedrag is ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich er bewust van was dat hij deze inkomsten had moeten aangeven. 3.11. Uit hetgeen in 3.10 is overwogen volgt dat belanghebbende voor het jaar 2017 niet de vereiste aangifte heeft gedaan zodat er aanleiding is voor omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval moet de rechtbank beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.