RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2286 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser, en De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Inleiding Bij besluit van 18 november 2021 heeft het CBR eiser een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: LEMA) opgelegd. Bij besluit van 15 maart 2022 heeft het CBR het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR. Feiten De Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant heeft CBR op 12 november 2021 mededeling gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Aan dit vermoeden ligt ten grondslag dat eiser op 11 november 2021 als bestuurder van een bromfiets (GO-scooter) is aangehouden terwijl hij te veel alcohol had gedronken. Bij hem is door middel van een ademanalyse een ademalcoholgehalte van 395 µg/l geconstateerd. Omdat het geconstateerde ademalcoholgehalte tussen de 350 µg/l en de 435 µg/l ligt, heeft het CBR eiser een LEMA opgelegd. Dit is een verplichte (lichte) cursus over de risico’s van alcoholgebruik in het verkeer. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank beoordeelt of het CBR op basis van de informatie van de politie terecht een LEMA heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Is er sprake van procesbelang? Eiser heeft de LEMA inmiddels gevolgd. Eiser heeft verzocht om restitutie van de voor en in verband met de LEMA gemaakte kosten. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank procesbelang en komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Is de twintig minutentermijn van artikel 10, tweede lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in acht is genomen? Eiser heeft aangevoerd dat de ademanalyse niet op een juiste wijze is verricht, omdat de in artikel 10, tweede lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen neergelegde twintig minutentermijn (hierna: de twintigminutentermijn) niet in acht is genomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij niet om 23:37 uur, maar om 23:47 uur is gevorderd mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek. Eiser heeft ter onderbouwing onder meer verwezen naar een afschrift van zijn bankrekening, gegevens van de deelscootermaatschappij " [naam deelscooter] ", routebeschrijvingen en whatsappberichten. Mede gelet op deze bewijsstukken is het volgens eiser onmogelijk dat hij op de in het proces-verbaal aangehaalde locaties en tijden aanwezig was. Het CBR stelt dat uit het door twee verbalisanten van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van rijden onder invloed (hierna: proces-verbaal) blijkt dat zij eiser op 11 november 2021 om 23:35 uur als bestuurder van een bromfiets ( [naam deelscooter] ) hebben zien rijden. Zij hebben eiser vervolgens doen stilhouden en een onderzoek ingesteld. Eiser is om 23:37 uur gevorderd medewerking te verlenen aan een voorlopig ademonderzoek. Eiser is vervolgens overgebracht naar het politiebureau waar op 12 november 2021 om 00:01 uur een ademanalyse heeft plaatsgevonden. Het CBR stelt dat daarmee de twintigminutentermijn in acht is genomen. Het CBR heeft er verder op gewezen dat de twintigminutentermijn er toe strekt het risico weg te nemen dat niet het ademalcoholgehalte wordt gemeten maar het mondalcoholgehalte. Niet gebleken is dat eiser twintig minuten voorafgaand aan de ademanalyse nog alcohol heeft geconsumeerd. Gelet hierop kan eventuele mondalcohol evengoed verdwenen worden geacht om 00:01 uur, zodat de materiële betrouwbaarheid volgens het CBR voldoende is gewaarborgd. Het CBR heeft verder aangevoerd dat een bestuursrechtelijke procedure losstaat van de strafrechtelijke procedure. Eiser heeft onder invloed van een te hoog alcoholgehalte een motorrijtuig bestuurd, waaruit het vermoeden van ongeschiktheid volgt. Daarbij heeft het CBR in aanmerking genomen dat in het proces-verbaal van verhoor verdachte is vermeld dat eiser heeft verklaard in de afgelopen 24 uur ongeveer zeven bier te hebben gedronken. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak mag het CBR in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. Tot de door eiser overlegde bewijsstukken behoort onder meer een bankafschrift van een door hem op 11 november 2021 om 23:27 uur betaalde bestelling bij een vestiging van de [naam bedrijf] in het centrum van [plaatsnaam] . Eiser heeft daarnaast een routebeschrijving bijgevoegd waaruit volgt dat de loopafstand van de voornoemde vestiging van de [naam bedrijf] tot aan de [adres] 48 te [plaatsnaam] , zijnde de locatie van de [naam deelscooter] met kenteken [kenteken nummer] , twee minuten is. Uit de door eiser overlegde gegevens van de deelscootermaatschappij " [naam deelscooter] " blijkt verder dat hij op 11 november 2021 een rit met de [naam deelscooter] in de applicatie heeft gestart om 23:44 uur en beëindigd om 23:49 uur. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van eiser van het tijdstip waarop hem is gevorderd medewerking te verlenen aan een voorlopig ademonderzoek grond voor twijfel bestaat aan de bevindingen van het proces-verbaal, waarin is vermeld dat de verbalisanten eiser 23:35 uur als bestuurder van een bromfiets ( [naam deelscooter] met kenteken [kenteken nummer] ) hebben zien rijden en hem om 23:37 uur medewerking hebben gevorderd aan een voorlopig ademonderzoek. Het CBR heeft daartegen aangevoerd dat de tijdsregistratie van de verbalisanten niet synchroon hoeft te lopen met de tijdregistratie van de gehuurde scooter. Verder heeft het CBR verwezen naar het aanvullend op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 18 februari 2022, waarin de betreffende verbalisanten hebben verklaard dat de tijdstippen zoals opgenomen in het proces-verbaal juist zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat voornoemde twijfel daarmee onvoldoende is weggenomen. Het voorgaande brengt met zich mee dat het proces-verbaal van 11 november 2021 niet (volledig) aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kan worden gelegd, zodat niet kan worden vastgesteld bestaat of de twintigminutentermijn volledig in acht is genomen. Dat sprake is van een bestuursrechtelijke procedure maakt niet dat de in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen neergelegde procedure niet volledig hoeft te worden nageleefd. In dat verband is van belang dat artikel 1 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 onder ademalcoholgehalte verstaat het ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.