RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/1378 GEMWT uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser, gemachtigde: mr. M.M.W.H. Holtackers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder] te [plaatsnaam 2] (vergunninghouder). Procesverloop In het besluit van 11 augustus 2020 (primaire besluit) heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd omdat kamers in twee gebouwen op bedrijventerrein [naam bedrijventerrein] voor logies worden verhuurd in strijd met het bestemmingsplan en de verleende vergunning. In het besluit van 19 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 december
(7)‘care’. (…) Aerospace: binnen dit cluster gaan onderhoud en opleidingen voor de luchtvaart samen met die voor de proces- en ‘high tech’-industrie. Een bijzondere toepassing is die van de militaire en civiele simulatietechniek, welke onder meer in Gate2 op [naam bedrijventerrein] onderdak vindt. Maintenance: op het terrein zijn verschillende bedrijven gevestigd die zich bezig houden met luchtvaart- en industrieonderhoud. Een deel is direct gerelateerd aan de nabijgelegen vliegbasis voor helikopters van de Koninklijke Luchtmacht. (…) Sport: sport- en gezondheidscentrum [naam onderneming 3] is op [naam bedrijventerrein] gevestigd. (…) Business: op het terrein zijn diverse bedrijven gevestigd en het [naam onderneming 4] en [naam onderneming 5] met ondersteunende faciliteiten voor bedrijven. In dit bedrijvencentrum kunnen bedrijven kantoorruimten en vergaderruimtes reserveren. Education: er zijn diverse bedrijven gevestigd die trainingen en cursussen geven op allerlei gebieden: opleiding voor helikoptermonteurs, bedrijfs- en teamtrainingen aan de hand van situaties in de cockpit van een vliegtuig, opleiding helikopterpiloten, school voor de luchtvaarttechniek ( [naam school] ). [naam onderneming 5] is gericht op kennisontwikkeling in de sectoren A&M. Leisure: de leisure component is nog niet heel sterk aanwezig, maar horeca is momenteel vertegenwoordigd door het [naam onderneming 6] in het [naam onderneming 4] en restaurant [naam restaurant] in [naam onderneming 3] . Care: [naam GGZ-instelling] is gevestigd op [naam bedrijventerrein] (…).’ ‘ [naam bedrijventerrein] is in eerste aanleg vooral geënt op ‘aerospace & maintenance’. (…) ‘Kenmerkend is het (hoog)specialistische karakter van veel bedrijven, onder meer rondom productie- en simulatietechnologie. [naam bedrijventerrein] speelt in op de groeiende behoefte van high tech-bedrijven aan een ondernemende, innovatieve en inspirerende omgeving, waar ook ruimte is voor ontmoeting en ontspanning.’ ‘Op het [naam bedrijventerrein] zijn diverse bedrijven gevestigd waar internationale werkenden voor een bepaalde tijd verblijven. In onderstaande tabel zijn de bedrijven opgenomen die gevestigd zijn op het [naam bedrijventerrein] . Een deel van die bedrijven heeft aangegeven behoefte te hebben aan overnachtingsmogelijkheden: [naam hogeschool] , [naam onderneming 7] , [naam onderneming 5] , [naam onderneming 3] , [naam onderneming 8] , [naam onderneming 9] , [naam onderneming 10] , [naam GGZ-instelling] ’. In het licht van het behoefteonderzoek is voldoende duidelijk dat het voorschrift ertoe strekt om het gebruik voor logies te beperken tot personen met een binding met de in het behoefteonderzoek genoemde en op [naam bedrijventerrein] gevestigde organisatieclusters. Deze binding kan bestaan uit het werken voor een bedrijf of het moeten overnachten in verband met het volgen of geven van een cursus of het ondergaan van een zorgbehandeling bij een organisatie op [naam bedrijventerrein] . Het gegeven dat uitzendbureau [naam uitzendbureau] een kantoor had op [naam bedrijventerrein] , is onvoldoende om de vereiste binding met [naam bedrijventerrein] aan te nemen. Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft geoordeeld, verandert dit immers niets aan de omstandigheid dat de personen die voor [naam uitzendbureau] werken feitelijk werkzaam zijn buiten [naam bedrijventerrein] voor bedrijven die geen binding hebben met [naam bedrijventerrein] . De rechtbank is daarnaast oordeel dat [naam onderneming 2] dan wel in de buurt ligt van [naam bedrijventerrein] , maar dit neemt niet weg dat dit niet het type bedrijf is waarop het behoefteonderzoek het oog heeft en waarvoor het college de logiesfunctie mogelijk heeft gemaakt. Dat in dit onderzoek ook wordt gesproken over “nabij” [naam bedrijventerrein] , maakt niet dat daarmee alle bedrijven in de buurt bedoeld worden. Gezien de strekking van het behoefteonderzoek heeft het college de term “nabij” terecht uitgelegd als alleen betrekking hebbend op de vliegbasis [naam vliegbasis] . Op [naam bedrijventerrein] is namelijk een bedrijf gevestigd, [naam onderneming 5] , dat diensten aanbiedt voor personeel van defensie. Aldus is er een direct verband tussen de vliegbasis en [naam bedrijventerrein] . Daarbij merkt de rechtbank op dat het op de weg lag van eiser – die het pand bedrijfsmatig wil exploiteren – om bij onduidelijkheid informatie in te winnen bij het college over de vergunningsvoorwaarde. De met vergunninghouder gesloten huurovereenkomst bepaalt ook uitdrukkelijk dat eiser zelf verantwoordelijk is voor alle vergunningen die benodigd zijn voor het gewenst gebruik ten behoeve van tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Het komt dan ook voor eigen rekening en risico van eiser dat hij dit heeft nagelaten en hierdoor in strijd handelde met de vergunning. Gewekt vertrouwen
- Eiser stelt dat uit het gespreksverslag van 10 februari 2020 blijkt dat de afspraak was gemaakt over het maximaal aantal logies, zulks in afwachting van het nieuwe beleid ten aanzien van de huisvesting van arbeidsmigranten binnen de gemeente Gilze en Rijen. Gelet op deze toezegging betekent het feit er op 1 juli 2020 andere arbeidsmigranten in de gebouwen [gebouwnummer 1] en [gebouwnummer 2] verbleven volgens eiser dan ook niet dat er sprake was van een overtreding. De rechtbank is, met het college, van oordeel dat de afspraak enkel gold voor de personen die er op dát moment aanwezig waren en eiser geen andere/nieuwe arbeidsmigranten mocht huisvesten. Het is niet aannemelijk dat eiser uit de gespreksverslagen niet heeft begrepen dat de samenstelling van de groep logies niet gewijzigd mocht worden. Niet alleen was de insteek van de gesprekken dat het college wilde dat de verhuur van logies ten behoeve van arbeidsmigranten beëindigd zou worden, bovendien staat in het gespreksverslag opgenomen dat ‘de eventuele tijdelijke voortzetting van de huidige situatie geldt voor het maximum aantal van de nu aanwezige personen’. Daar komt bij dat op 1 juli 2020 67 personen ter plaatse verbleven, terwijl er op 10 februari 2020 ter plaatse maar 60 personen verbleven. Het betoog van eiser slaagt niet. Handhavend optreden
- Uit het voorgaande volgt dat het college terecht heeft aangenomen dat er sprake was van een overtreding. Het college was dus bevoegd tot handhavend optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
- Eiser heeft aangevoerd dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien omdat er sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Ter zitting is gebleken dat het college geïnteresseerden in de gelegenheid heeft gesteld om een principeverzoek in te dienen voor een mogelijke locatie waar arbeidsmigranten kunnen worden gehuisvest. Meerdere geïnteresseerden, waaronder eiser, hebben een principeverzoek ingediend. Desgevraagd heeft het college op zitting toegelicht dat op de principeverzoeken nog niet is besloten. Voor concreet zicht op legalisatie door middel van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan dient ten tijde van de besluitvorming ten minste een begin te zijn gemaakt met de voor verlening van een omgevingsvergunning vereiste procedure. Dat is niet mogelijk zonder dat er een aanvraag is ingediend (zie o.a. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:714). De rechtbank overweegt dat een principeverzoek niet aangemerkt kan worden als een ingediende vergunningaanvraag. Er is dan ook geen concreet zicht op legalisering.
- Eiser heeft betoogd dat handhavend optreden onevenredig is. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Het is namelijk niet onmogelijk om het pand te gebruiken als logiesfunctie conform de verleende vergunning. De last is opgelegd om personen zonder binding met [naam bedrijventerrein] niet te huisvesten in de gebouwen. Dit betekent dat personen met een concrete connectie met de bedrijven op [naam bedrijventerrein] wel gehuisvest kunnen worden. Dat, zoals eiser stelt, hier op dit moment weinig behoefte aan is, zodat exploitatie niet rendabel is, doet aan deze mogelijkheid niet af. Dit is ondernemersrisico dat voor rekening en risico komt van eiser. Hoogte last onder dwangsom
- Eiser heeft aangevoerd dat een dwangsom van € 50.000,- per keer, met een maximum van € 500.000,- te hoog is. De rechtbank overweegt dat van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte van de dwangsommen wordt voorkomen. De beoogde werking van de dwangsom brengt mee dat de hoogte van het te verbeuren bedrag mag worden afgestemd op het met de overtreding te behalen financiële voordeel. Het college is bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom uitgegaan van de bestaande situatie, namelijk het verschaffen van logies aan zestig personen. Er is uitgegaan van een gemiddelde huurprijs van € 100,- – € 125,- per week per persoon. Uitgaande van zestig personen betekent dit een huuropbrengst van € 25.000,- – € 30.000,- per maand. Om van de last een voldoende prikkel uit te laten gaan heeft het college de dwangsom op € 50.000,- gesteld. Eiser heeft aangevoerd dat de last onredelijk hoog is, aangezien hij al een dwangsom verbeurt van € 50.000,- als er één persoon zonder binding in het pand verblijft. De rechtbank deelt het standpunt van het college dat, wanneer per persoon een aanzienlijk lager bedrag aan dwangsom wordt opgelegd, eiser een afweging zou kunnen maken bij hoeveel arbeidsmigranten overtreding van de last toch zouden kunnen lonen. Het bedrag van € 50.000,- per keer is dan ook effectief. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de hoogte van de dwangsom dan ook niet onredelijk hoog. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 1 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. M.H.C. van Spreuwel, griffier G.M.J. Kok, rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.