RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 18/2977 tot en met 18/2984, 18/8198 en 18/8199 uitspraak van 3 februari 2022 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2016 de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tegelijk met deze (navorderings)aanslagen is belastingrente in rekening gebracht en zijn vergrijpboetes opgelegd. Jaar Aanslagnummer Dagtekening Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Belasting-rente Vergrijp-boete 2012 [aanslagnummer] .H.27.01 3 oktober 2017 € 147.612 € 0 € 10.934 € 32.527 2013 [aanslagnummer] .H.37.01 7 oktober 2017 € 168.986 € 3.670 € 10.707 € 39.919 2014 [aanslagnummer] .H.47.01 7 oktober 2017 € 155.642 € 9.031 € 6.871 € 36.508 2015 [aanslagnummer] .H.56.01 27 oktober 2017 € 174.508 € 14.378 € 4.991 € 43.366 2016 [aanslagnummer] .H.66.01 6 juli 2018 € 32.610 € 19.697 € 584 - Tevens heeft de inspecteur aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2016 de volgende (navorderings)aanslagen Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Tegelijk met deze (navorderings)aanslagen is belastingrente in rekening gebracht. Jaar Aanslagnummer Dagtekening Bijdrage-inkomen Belasting-rente 2012 [aanslagnummer] .W.27.01.4 3 oktober 2017 € 46.344 € 384 2013 [aanslagnummer] .W.37.01.4 30 september 2017 € 50.853 € 364 2014 [aanslagnummer] .W.47.01.4 30 september 2017 € 51.414 € 259 2015 [aanslagnummer] .W.56.01.4 27 oktober 2017 € 51.976 € 145 2016 [aanslagnummer] .W.66.01.4 6 juli 2018 € 26.637 € 24 1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 april 2018 de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2012 tot en met 2015 gehandhaafd. Bij uitspraken op bezwaar van 29 oktober 2018 zijn de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbendes bezwaren zijn tevens in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering, welke verzoeken zijn afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 8 mei 2018, ontvangen bij de rechtbank op 9 mei 2018, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 3 april 2018. De rechtbank heeft het beroepschrift ambtshalve gesplitst waardoor er meerdere zaken zijn geregistreerd. Er is volstaan met het heffen van éénmaal griffierecht zodat van belanghebbende een griffierecht van € 46 is geheven. 1.4. Belanghebbende heeft bij brief van 14 november 2018, ontvangen bij de inspecteur op 16 november 2018, bezwaar ingesteld tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016. Beide partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering. Het bezwaarschrift is in behandeling genomen als beroepschrift. De rechtbank heeft het beroepschrift ambtshalve gesplitst waardoor er meerdere zaken zijn geregistreerd. Er is volstaan met het heffen van éénmaal griffierecht zodat van belanghebbende een griffierecht van € 46 is geheven. 1.5. De inspecteur heeft twee verweerschriften ingediend, één ten aanzien van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2012 tot en met 2016 en één ten aanzien van de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016. 1.6. Belanghebbende heeft bij brieven van 29 november 2021, 23 december 2021, 4 januari 2022 en ter zitting verzocht om uitstel van de na te noemen zitting. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende A.P. van Dorst, verbonden aan ETS Zakelijke Dienstverlening te Eindhoven, en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur] . Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende dreef per 1 april 2012 een vennootschap onder firma tezamen met zijn echtgenote, genaamd ‘ [vof] ’ (hierna: de vof). Per 9 oktober 2014 is de vof ontbonden en is de onderneming voortgezet door belanghebbende in de vorm van een eenmanszaak, tevens genaamd ‘ [eenmanszaak] ’. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel bestonden de activiteiten uit een detailhandel in tuinbenodigdheden. Per 1 april 2016 heeft belanghebbende de ondernemingsactiviteiten gestaakt. 2.2. Belanghebbende is voor de jaren 2012 tot en met 2016 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Hij heeft voor de jaren 2012, 2014, 2015 en 2016 tijdig een aangifte IB/PVV ingediend. Ten aanzien van het jaar 2013 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend na verstrijken van de termijn zoals genoemd in de aanmaning. 2.3. Voor het jaar 2012 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van € 28.720. Nadat de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw werden opgelegd, heeft belanghebbende een tweede aangifte IB/PVV ingediend naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van € 3.387, resulterend in een te betalen bedrag aan belasting van nihil. Deze aangifte is in behandeling genomen als een bezwaar. Wegens termijnoverschrijding is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Wel is de inspecteur ambtshalve gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoetgekomen en heeft de aanslag IB/PVV verminderd naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van € 4.352 en de aanslag Zvw verminderd. 2.4. Voor het jaar 2013 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van negatief € 2.593. De reeds aan belanghebbende opgelegde definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw zijn conform de ingediende aangifte verminderd. 2.5. Voor het jaar 2014 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van negatief € 20.872. Conform de ingediende aangifte is aan belanghebbende een definitieve aanslag IB/PVV en Zvw opgelegd. 2.6. Voor het jaar 2015 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van negatief € 18.734. 2.7. Voor het jaar 2016 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning en tevens verzamelinkomen van negatief € 4.793. 2.8. Op 23 februari 2016 heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking van de woning van belanghebbende plaatsgevonden. Bij de doorzoeking is het volgende aangetroffen: - zakken met gedroogde hennep met een gewicht van ongeveer 3,4 kilogram; - een kleine zak met henneptoppen van ongeveer 36 gram; - een plak hasj van ongeveer 122 gram; - plastic zakken met daarin € 546.000 aan contant geld, aangetroffen op de dakkapel van de woning van belanghebbende. De inkoopwaarde van de gevonden drugs is € 12.490. 2.9. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft belanghebbende zich beroepen op zijn zwijgrecht ten aanzien van de herkomst van de aangetroffen drugs en het contant geld. Door de politie is (onder meer) een rapport kasopstelling opgesteld over de periode 1 januari 2007 tot en met 23 februari 2016. 2.10. Op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft de inspecteur op 21 april 2016 de officier van justitie verzocht om gegevens en inlichtingen uit het strafrechtelijk onderzoek. 2.11. De inspecteur heeft bij brief van 28 september 2016 een boekenonderzoek aangekondigd naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2012 tot en met 2015, waarbij het onderzoek zich heeft beperkt tot het opstellen van een vermogensvergelijking over de periode 1 januari 2012 tot en met 23 februari 2016. Met dagtekening 1 augustus 2017 is het definitieve controlerapport, waarin de bevindingen van het boekenonderzoek zijn opgenomen, aan belanghebbende toegezonden. Bij het rapport is een vermogensvergelijking over de periode 1 januari 2012 tot en met 23 februari 2016 opgenomen, waaraan voor elk van de in geschil zijnde jaren de conclusie is verbonden dat sprake is van een negatief netto privé. Gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat voor elk van de in geschil zijnde jaren van de in het controlerapport genoemde bedragen aan negatief netto privé kan worden uitgegaan. 2.12. Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd. In de (navorderings)aanslagen IB/PVV zijn de volgende bedragen gecorrigeerd als resultaat uit overige werkzaamheden: 2012 2013 2014 2015 2016 Negatief netto privé € 9.107 € 36.262 € 40.816 € 57.525 € 4.298 Aangetroffen contant geld en drugs € 134.037 € 134.037 € 134.037 € 134.037 € 22.339 Resultaat uit overige werkzaamheden € 143.144 € 170.299 € 174.853 € 191.562 € 26.637 Tevens is voor de jaren 2013 tot en met 2016 een bedrag aan inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen, zijn er vergrijpboetes opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht (zie 1.1). 2.13. In de bezwaarfase heeft belanghebbende stukken in het Turks overgelegd, welke gecertificeerd vertaald zijn naar het Engels en met apostille van een Turkse notaris. Deze stukken bevatten onder andere een verklaring van de zus van belanghebbende, waarin het volgende staat vermeld: “I, [zus] , hereby declare that I handed over TL 2.000.000,00, which is the inheritance amount having been inherited from our mother [moeder] to us (the portion belonging to [zus] and [broer] ) to my brother [broer] in cash (by hand) on 05.09.2010.” 3. Geschil 3.1. Tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen in geschil: Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast? Is terecht en tot het juiste bedrag een resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen? Is terecht en tot het juiste bedrag een inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen? Zijn de vergrijpboetes voor de jaren 2012 tot en met 2015 terecht opgelegd? Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend. 4Beoordeling van het geschil Vooraf 4.1. Bij brieven van 29 november 2021, 23 december 2021, 4 januari 2022 en ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting. Hij voert aan dat er een strafzaak loopt tegen belanghebbende die onlosmakelijk verbonden is met de onderhavige zaken. In de strafzaak is recentelijk door Rechtbank Oost-Brabant bepaald dat getuigen gehoord gaan worden. Volgens belanghebbende zijn de getuigenverklaringen van belang voor de onderhavige zaken. 4.2. De rechtbank heeft in dat wat gemachtigde aanvoert geen aanleiding gezien de zitting uit te stellen. Het fiscale recht kent een afzonderlijk bewijskader ter beoordeling of inkomsten zijn genoten, waardoor de onderhavige zaken naar het oordeel van de rechtbank los van de strafzaak behandeld kunnen worden. Daar komt bij dat in het dossier van de onderhavige zaken schriftelijke verklaringen van getuigen zijn opgenomen. Mede gelet op de reeds lange duur van de procedure – het eerste beroepschrift is ingediend op 9 mei 2018 – weegt een doelmatige procesgang in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij uitstel van de zitting. Ten aanzien van het geschil Omkering en verzwaring van de bewijslast 4.3. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). 4.4. In zijn arrest van 14 april 2017 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “Het niet doen van de vereiste aangifte leidt op grond van artikel 27e, lid 1, AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.” 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 niet binnen de door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is om die reden ten aanzien van het jaar 2013 sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. 4.6. Ten aanzien van de jaren 2012, 2014, 2015 en 2016 geldt het volgende. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. 4.7. De inspecteur stelt dat belanghebbende in de onderhavige jaren meer inkomsten moet hebben genoten dan de in de aangiften verantwoorde inkomsten. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur naar de vermogensvergelijking, welke ieder jaar resulteert in een negatief netto privé, en naar het bedrag aan contanten dat is gevonden in belanghebbendes privéwoning (zie 2.8 en 2.12). Gelet op de niet aangegeven inkomsten is volgens de inspecteur sprake van één of meer gebreken in de aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook stelt de inspecteur dat belanghebbende zich hiervan bewust was, omdat de uitgaven van belanghebbende en het aangetroffen contante geldbedrag de in de aangifte aangegeven inkomsten in ruime mate overtreffen. 4.8. Belanghebbende bestrijdt de vermogensvergelijking en de daaruit volgende bedragen aan negatief netto privé niet. Belanghebbende stelt dat het bedrag aan gevonden contanten afkomstig is uit een erfenis van zijn moeder. 4.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2012, 2014, 2015 en 2016 niet is gedaan. Niet in geschil is dat voor elk jaar sprake is van een negatief netto privé. Derhalve is gedurende meerdere jaren sprake van een situatie waarin meer geld werd uitgegeven dan aan bekende inkomsten zijn binnengekomen. In elk van de onderhavige jaren heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een te betalen bedrag aan belasting van nihil. Naar het oordeel van de rechtbank is – gelet op de hoogte van de bedragen aan negatief netto privé – het bedrag van de IB/PVV en premies Zvw dat niet is geheven, zowel relatief als op zichzelf beschouwd, aanzienlijk. Bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw dat op basis van de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij Zvw-bedragen in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief. De rechtbank acht daarbij aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV zich ervan bewust moet zijn geweest dat door het niet vermelden van de door hem genoten inkomsten zowel absoluut als relatief beschouwd een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting en premies niet zou worden geheven, gelet op het feit dat niet in geschil is dat voor elk jaar een negatief netto privé is vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2012, 2014, 2015 en 2016 niet zijn gedaan, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 4.10. Concluderend is voor alle onderhavige jaren sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Als sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.