RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/5782 WABOA VV uitspraak van 31 augustus 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker, gemachtigde: mr. E. Beele, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder] , te [vestigingsplaats vergunninghouder]. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2021 (primair besluit) waarbij het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft verleend om drie woningen te kunnen realiseren. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens heeft het college bij besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (bekend onder zaaknummer BRE 22/3560 WABOA), zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan tijdens het beroep bij de rechtbank. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Op de locatie bekend als [naam locatie] te [plaats locatie] staan twee woningen. Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend om ter plaatse drie woningen te kunnen realiseren, in plaats van de twee bestaande woningen. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten “bouwen” en “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”.
- Vergunninghouder heeft bij brief van 27 juli 2022 medegedeeld dat zij zeker nog drie maanden nodig zal hebben voor het ontruimen en het indienen van een sloopmelding.
- In reactie daarop heeft verzoeker medegedeeld dat er volgens hem desondanks sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat uit de mededeling van vergunninghouder niet blijkt dat de activiteiten worden opgeschort, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op zijn beroep.
- Uit de mededeling van vergunninghouder blijkt dat er niet op korte termijn uitvoering zal worden gegeven aan de omgevingsvergunning. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat er in de toekomst mogelijk wel een spoedeisend belang ontstaat, doordat vergunninghouder uitvoering gaat geven aan de omgevingsvergunning, maakt de huidige situatie niet anders.
- De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 31 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.