RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/1127 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , belanghebbende (gesteld gemachtigde: [gemachtigde] ), en De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Procesverloop Namens belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 januari 2022 betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017, met aanslagnummer [aanslagnummer] , bij de rechtbank Oost-Brabant beroep ingesteld. De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroepschrift doorgezonden naar deze rechtbank omdat deze rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Overwegingen Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. [gemachtigde] heeft bij het beroepschrift geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is beroep in te stellen namens belanghebbende. Niet gesteld of gebleken is dat [gemachtigde] advocaat is. De rechtbank heeft [gemachtigde] dan ook bij brief van 18 februari 2022 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Dit verzoek is herhaald bij aangetekende brief van 23 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.