RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4035 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2022 in de zaak tussen [naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker, en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (verweerder). Inleiding In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een besluit van het college van 15 juli 2022 tot het afwijzen van een handhavingsverzoek en het afwijzen van een verzoek om schadevergoeding. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om het college op te dragen om een doorgangspad naast zijn woning afgesloten te houden en de toegang tot het doorgangspad feitelijk onmogelijk te maken voor fietsers, brommers en scooters, met ingang van 5 september 2022 (het begin van het nieuwe schooljaar) op de dagen van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot en met 17.00 uur. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen dat het college het toegangspad af moet sluiten een te vergaande maatregel is, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Daarbij is ook van belang dat het college het handhavingsverzoek gemotiveerd heeft afgewezen, omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding. Niet uitgesloten kan worden dat het college zich terecht op dat standpunt heeft gesteld. De voorzieningenrechter leest verder in het verzoek dat verzoeker zich op het standpunt stelt dat hij eigenaar is van het toegangspad. Wanneer dat standpunt juist zou zijn, zou het college ook niet bevoegd zijn om de door verzoeker gewenste maatregelen te treffen. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich echter niet voor de bewijsvergaring die is vereist om antwoord te kunnen geven op de vraag wie eigenaar is van het toegangspad. Gelet op het voorgaande en omdat het schorsen van het besluit tot afwijzing van zijn verzoeker niet zal leiden tot het door verzoeker gewenste resultaat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende (spoedeisend) belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening zal afwijzen. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 9 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.