RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummers: 02-132739-22, 02-104318-19 (TUL), 02-167435-19 (TUL), 96-077978-20 (TUL) en 96-115699-20 (TUL) vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] raadsvrouw mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 september 2022, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: op 27 mei 2022 in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] ; feit 2: op 27 mei 2022 heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel heeft geprobeerd om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; feit 3: in de periode van 1 mei 2022 tot en met 27 mei 2022 munitie voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de onder feit 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de camerabeelden en de verklaring van verdachte ter zitting, waarin hij de ten laste gelegde geweldshandelingen bekent. Op basis van het dossier kan verder worden vastgesteld dat het geweld in vereniging is gepleegd. De onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer eenmaal tegen het achterhoofd getrapt, terwijl het slachtoffer op dat moment al op de grond lag en zich met zijn hoofd op korte afstand van het wegdek bevond. Op de beelden is te zien dat verdachte met kracht naar beneden tegen het hoofd van het slachtoffer heeft getrapt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is. Verdachte heeft met deze handelingen de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust aanvaard. Dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden is niet te wijten aan het handelen van verdachte. Het voorhanden hebben van de munitie zoals is ten laste gelegd onder feit 3 kan wettig en overtuigend worden bewezen op basis van onder meer de bekennende verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten 1 en 3 Bewezenverklaring zonder nadere motivering Deze feiten kunnen bewezen worden verklaard gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II van dit vonnis. Feit 2 Poging tot doodslag? De rechtbank stelt op basis van in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte ter zitting, vast dat verdachte eenmaal met kracht op het hoofd van het slachtoffer heeft getrapt, terwijl het slachtoffer op dat moment op de grond lag. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair). Poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling vereisen dat er opzet is, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had om het slachtoffer te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Of de gedragingen de aanmerkelijke kans op dergelijk gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de aard van die gedragingen en de omstandigheden waaronder die gedragingen zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vaststelling dat het eenmaal met kracht trappen op het hoofd van het slachtoffer niet automatisch tot de conclusie kan leiden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Het dossier biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Dat de trap tot de dood had kunnen leiden volgt bijvoorbeeld ook niet uit het geconstateerde letsel. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat in dit specifieke geval sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer. Derhalve kan ook niet worden bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet op het mogelijk overlijden van het slachtoffer had. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Poging tot zware mishandeling? De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ook één harde klap of trap tegen een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd al tot ernstig letsel kan leiden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de wijze waarop verdachte de trapbeweging maakt, valt af te leiden dat verdachte met kracht op het hoofd van het slachtoffer trapt. Het slachtoffer lag op dat moment al op de grond met zijn gezicht naar de grond gericht en kon de trap daarom niet aan zien komen, ontwijken of zich tegen die trap verweren. Door op deze manier op het hoofd van het slachtoffer te trappen heeft verdachte - naar de uiterlijke verschijningsvorm - bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 op 27 mei 2022 te Vlissingen openlijk, te weten op of aan de openbare weg de Van Dishoeckstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] - achterna te rennen en te rijden en - in een wurggreep, vast te houden en op de grond te gooien en op de grond vast te houden, en - terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt en wordt gehouden en wordt vastgehouden in die wurggreep, meermalen, te slaan/stompen tegen het hoofd en lichaam en meermalen te schoppen/trappen tegen het lichaam, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten kneuzingen en blauwe plekken en letsel aan het hoofd, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; feit 2, subsidiair: op 27 mei 2022 te Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met geschoeide voet met kracht op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestampt/getrapt (terwijl deze [slachtoffer] op dat moment op straat lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 op 27 mei 2022 te Vlissingen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 47 stuks van het merk Walther, kaliber 8 mm knal en 34 stuks van het merk G.F.L., kaliber 8 mm knal en 1 stuk kogelpatroon van het merk G.F.L., kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij vordert geen dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht zoals door de reclassering is geadviseerd, omdat niet aan de wettelijke criteria wordt voldaan. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevolgen die een langdurige gevangenisstraf voor hem zouden hebben. De verdediging verzoekt daarom te volstaan met de oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarnaast kan aan verdachte eventueel een taakstraf op worden gelegd. Verdachte is bereid zich aan de door de reclassering gestelde voorwaarden te houden en verzet zich dan ook niet tegen dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft samen met anderen openlijk geweld gepleegd jegens het slachtoffer, door achter hem aan te rennen en rijden, hem vervolgens naar de grond te werken en terwijl hij in een wurggreep werd gehouden en in een kwetsbare positie op de grond lag, op hem in te slaan en te trappen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer. Terwijl het slachtoffer al op de grond lag en niets meer kon en het openlijk geweld was gestopt, heeft verdachte hem nog een harde trap gegeven op zijn achterhoofd. Verdachte heeft door het plegen van deze geweldshandelingen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het slachtoffer niet ernstiger gewond is geraakt, is niet aan het handelen van verdachte en de medeverdachten te wijten. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Bovendien heeft het geweld zich in het openbaar, namelijk buiten op straat, afgespeeld, waardoor ook omstanders hiermee zijn geconfronteerd. Dit kan voor hen een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest. De confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte die aan de gebeurtenis vooraf is gegaan kan op geen enkele wijze een rechtvaardiging zijn voor het geweld dat daarna heeft plaatsgevonden. Op de beelden is te zien dat het verdachte is die de confrontatie met het slachtoffer uiteindelijk heeft opgezocht, waarna hij samen met de medeverdachten, maar ook alleen, buitensporig geweld op het slachtoffer heeft toegepast. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte in zijn woning munitie voorhanden gehad. Uit het strafblad van verdachte van 1 augustus 2022 blijkt dat hij al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke feiten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte in meerdere proeftijden liep ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft kennis genomen van de reclasseringsrapportage van 30 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.