vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Locatie Breda Cluster II Handelszaken zaaknummer / rolnummer: C/02/399479 / KG ZA 22-334 Vonnis in kort geding van 14 september 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat mr. D. Marcus te Rijen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. B.J.P. van Gils te Tilburg. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 28 juli 2022 met producties 1 t/m 3; de email van mr. Marcus van 30 augustus 2022 met 6 foto’s; de mondelinge behandeling op 31 augustus
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.
- [eiser] vordert als voorlopige voorziening, samengevat, om aan [gedaagde] een straat- en contactverbod op te leggen, met machtiging van [eiser] om de verboden met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen, waaronder lijfsdwang, en op straffe van een dwangsom. 2.
- [gedaagde] voert verweer. 2.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3De beoordeling 3.
- Tussen partijen staat het volgende vast: - [gedaagde] is een achterneef van [eiser] . - [eiser] woont begeleid en wordt daarbij ondersteund door het RIBW. 3.
- [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] hem zeer vaak telefonisch en per whats app benadert. [eiser] wordt daarbij uitgescholden, beledigd, bedreigd en geïntimideerd. Ook neemt [gedaagde] telefonisch contact op met de vriendin van [eiser] (hierna: [naam 1] ) waarbij bedreigingen worden geuit. Tevens heeft [gedaagde] hem thuis bezocht en dreigt hij [eiser] herhaaldelijk thuis te zullen komen bezoeken. [eiser] vreest dat zijn woonruimte bij het RIBW door de overlast van [gedaagde] in gevaar komt. [eiser] is door de handelwijze van [gedaagde] angstig geworden, wat impact heeft op zijn (psychische) gezondheid. Hij voelt zich nergens meer veilig. [eiser] is bang voor escalaties en wil problematische situaties met [gedaagde] voorkomen. [gedaagde] maakt door zijn gedragingen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . Deze handelwijze van [gedaagde] is jegens [eiser] onrechtmatig. [eiser] heeft [gedaagde] herhaaldelijk gevraagd daarmee te stoppen. 3.
- [gedaagde] betwist het gestelde onrechtmatig handelen. Hij heeft [eiser] niet bedreigd. Er zou veelvuldig contact zijn geweest tussen [gedaagde] en [eiser] / [naam 1] omdat laatstgenoemden zich zorgen maakten over [gedaagde] en zijn vriendin [naam 2] . [gedaagde] erkent dat hij [eiser] in zijn woning heeft bezocht. Tijdens dat bezoek heeft [naam 1] zelfs zijn haar geknipt. [gedaagde] heeft inmiddels geen behoefte meer aan contact met [eiser] . Hij heeft hem daarom recent ook niet meer benaderd. Er is geen reden voor het opleggen van de gevorderde verboden. 3.
- Voor het toewijzen van een straat- en contactverbod moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die het opleggen van zo’n verbod kunnen rechtvaardigen 3.
- Het ligt op de weg van [eiser] om zijn vorderingen van een concrete feitelijke onderbouwing te voorzien en toe te lichten dat hij daarbij een spoedeisend belang heeft. Het had daarom in deze kort geding procedure op zijn weg gelegen aan te geven welke recente uitlatingen en gedragingen [gedaagde] heeft gedaan en waarom deze jegens hem onrechtmatig zijn. Dit heeft [eiser] nagelaten. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering verwezen naar de door hem als productie overgelegde screenshots van whats appberichten. Hieruit blijkt dat er een intensief contact heeft plaatsgevonden gedurende één weekend (volgens mr. Marcus begin juli 2022), waarbij partijen over en weer aan elkaar appjes hebben gestuurd. Indien en voor zover er buiten voormeld weekend door [gedaagde] appjes aan [eiser] zijn gestuurd, is onduidelijk wanneer deze zijn verstuurd. Ook heeft hij niets overgelegd waaruit blijkt dat zijn woonruimte bij RIBM als gevolg van door [gedaagde] veroorzaakte overlast momenteel gevaar loopt. Door zijn advocaat is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij [gedaagde] heeft aangeschreven te stoppen met zijn handelwijze en dat zij daarna geen meldingen meer van [eiser] heeft ontvangen over het gedrag van [gedaagde] . 3.
- [eiser] heeft zijn vorderingen aldus onvoldoende feitelijk onderbouwd nu de door hem aangevoerde onderbouwing het gevorderde niet kan dragen. Dit betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen. 3.
- [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:- griffierecht € 314,00 - salaris advocaat 1.016,00Totaal € 1.330,00 4De beslissing De voorzieningenrechter 4.
- wijst de vorderingen af; 4.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op € 1.330,00; 4.
- verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022.