RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02/011319-22 en 02/255970-19 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 september 2022, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag althans poging tot zware mishandeling van een politieagent door met een auto op hem in te rijden; zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren/in bezit hebben van ongeveer 16 gram cocaïne; met zijn rijgedrag de verkeersregels ernstig heeft geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen ontstond dan wel gevaar op de weg/hinder is veroorzaakt; een voertuig heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs voor deze categorie voertuigen was geschorst. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een grove schending van en een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijk proces, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming aan de belangen en het recht van verdachte op een eerlijk proces is tekortgedaan. Zo heeft de raadsman bepleit dat er door de verbalisanten in strijd met de waarheid is verklaard, er een schending van de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft plaatsgevonden en er tot slot sprake is geweest van het vernietigen van potentieel bewijsmateriaal. Hierdoor zijn de belangen van verdachte op grove wijze veronachtzaamd en dit leidt er zelfs toe dat het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd, in de kern is aangetast. De verdediging heeft zich dan ook primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging heeft dit verwijt allereerst gebaseerd op de volgens haar meinedige verklaringen van de verbalisanten. Dat zou blijken uit de onderlinge tegenstrijdigheid van deze verklaringen. Wat daarvan zij, die veronderstelde tegenstrijdigheid betekent nog niet dat sprake is van meinedige verklaringen. Verklaringen van getuigen zijn in het algemeen gebaseerd op herinneringen, beïnvloed door de omstandigheden waaronder feiten worden waargenomen en ook door een persoonlijke beleving en de persoonlijkheid van een getuige. Dat geldt zowel voor de verbalisanten als voor de verklaring van getuige [getuige] . De rechtbank constateert dan ook dat er geen sprake is geweest van een vormverzuim ten aanzien van de verklaringen van de verbalisanten [naam 1] en [naam 2] . Voorts heeft de verdediging gesteld dat er sprake is geweest van een schending van de verbaliseringsplicht omdat verbalisant [naam 1] niet in zijn proces-verbaal bevindingen heeft opgenomen dat er geen camerabeelden waren aangetroffen. Uit artikel 152 Sv volgt dat het de opsporingsambtenaar slechts vrij staat om in een proces-verbaal een vermelding achterwege te laten van hetgeen door hem tot opsporing is verricht of bevonden, voor zover die verrichtingen of bevindingen redelijkerwijs niet van belang kunnen zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. De rechtbank is van oordeel dat het niet verbaliseren van de afwezigheid van camerabeelden redelijkerwijs niet van belang is voor een door de rechtbank te nemen beslissing. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de werkelijke gang van zaken achteraf nog is vastgesteld doordat verbalisant [naam 1] bij zijn verhoor, afgelegd bij de rechter-commissaris op 2 augustus 2022, heeft verklaard dat er geen camerabeelden van het incident waren. Als achteraf de werkelijke gang van zaken kan worden vastgesteld dient dit volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet te leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring. Tot slot heeft de verdediging naar voren gebracht dat het vernietigen van potentieel bewijsmateriaal zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Door verbalisant [naam 1] is bij de rechter-commissaris verklaard dat hij WhatsApp berichten tussen hem en de persoon die melding maakte van het dealen in de buurt, heeft verwijderd. Het verwijderen van deze gesprekken tussen verbalisant [naam 1] en de anonieme melder vormt naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde. De berichten zijn niet van belang in het kader van de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een vormverzuim. Gezien het bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Evenmin is er, op grond van het zogenoemde Karman-criterium, sprake van strijd met de grondslagen van het strafproces. Zoals al eerder door de rechtbank is geconcludeerd is er geen sprake van het afleggen van meinedige verklaringen door verbalisanten. Voor het overige is hetgeen de verdediging heeft gesteld, onvoldoende om tot de conclusie te komen dat op grond daarvan sprake is geweest van een aantasting van het strafproces als geheel. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 3 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan. Uit de verklaringen van de verbalisanten [naam 1] en [naam 2] blijkt dat verdachte, bij het verlaten van de parkeerplaats, risico’s heeft genomen om koste wat kost te kunnen ontkomen aan de politie en hierdoor voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [naam 1] . Voorts heeft verdachte, na het verlaten van de parkeerplaats, veel harder door de bebouwde kom gereden dan was toegestaan, geen voorrang verleend en tegen de rijrichting in gereden waardoor er levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder feit 2 en feit 4 tenlastegelegde feiten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de door de verdediging geconstateerde vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. De verdediging heeft voorts bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat verdachte heeft geremd en heeft geprobeerd verbalisant [naam 1] te ontwijken toen deze voor zijn auto sprong. Naast vrijspraak voor het tenlastegelegde onder feit 1 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit voor de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging geen verweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Het verweer tot bewijsuitsluiting Nu de rechtbank heeft geconstateerd dat er geen sprake is van vormverzuimen, zal de rechtbank het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting verwerpen. Tenlastegelegde onder feit 1 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 13 januari 2022 een aanrijding heeft plaatsgevonden te Hoogerheide. Verdachte is op deze avond de parkeerplaats opgereden van de [bedrijf] en is daarna klemgereden door een andere auto waarin verbalisant [naam 2] reed. De auto’s hebben op enig moment met de neuzen tegenover elkaar gestaan waarna verdachte zijn auto heeft gekeerd om de parkeerplaats af te rijden. Verbalisant [naam 1] bevond zich op de parkeerplaats bij of in de buurt van de uitgang, werd door verdachte geraakt en is hierbij op de motorkap van de auto van verdachte terecht gekomen. De vraag die moet worden beantwoord, is of de tenlastegelegde gedraging bewezen is en welk strafbaar feit dit oplevert. Opzet Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van verbalisant [naam 1] , zodat verdachte zal worden vrijgesproken van poging doodslag. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachte evenmin vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [naam 1] . Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte willens en wetens zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen aan verbalisant [naam 1] . Voorwaardelijk opzet De rechtbank dient tot slot de vraag te beantwoorden of voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zal intreden. Aanmerkelijke kans op gevolg Of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij wilde vluchten van de parkeerplaats waar hij op dat moment reed. Het was blijkens het proces-dossier op dat moment rond 7 uur in de avond en het betrof een parkeerplaats van een supermarkt waar het rond dit tijdstip druk kan zijn. De rechtbank overweegt dat op een dergelijke locatie niet harder dient te worden gereden dan stapvoets gezien het feit dat er mensen op de parkeerplaats kunnen lopen en van tussen de geparkeerde auto’s kunnen verschijnen. Verdachte reed volgens de verklaring van getuige [getuige] “met een flinke snelheid, ik bedoel hiermee harder dan je normaal op een parkeerplaats zou rijden”. Daarnaast moet verdachte hebben geweten dat er politie in de buurt was die hem mogelijk de weg wilde blokkeren om hem aan te houden, nu verdachte de sirene van de auto van verbalisant [naam 2] moet hebben gehoord. Getuige [naam 2] heeft verklaard dat zij de sirene heeft aangezet toen zij tegenover verdachte stond en getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de sirenes hoorde en zag dat verdachte een aantal seconden later de parkeerplaats probeerde af te rijden. De rechtbank stelt vast dat verdachte met een hogere snelheid dan stapvoets heeft gereden op een parkeerplaats van een supermarkt dan men normaal zou doen, waarbij personen van tussen geparkeerde auto’s kunnen verschijnen en ook dat hij moet hebben geweten dat politie hem de weg zou kunnen (proberen te) blokkeren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat er iemand in de buurt van zijn auto zou zijn die zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Aanvaarding aanmerkelijke kans Deze aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dient echter ook door verdachte bewust te zijn aanvaard, hetgeen kan worden vastgesteld door onder andere verklaringen van getuigen en de uiterlijke verschijningsvorm. Zowel getuige [getuige] als de beide verbalisanten zijn stellig in hetgeen zij hebben verklaard. De verklaringen lopen echter uiteen waarbij getuige [getuige] bij de rechter-commissaris nogmaals heeft benadrukt dat verdachte heeft geremd en dat verdachte verbalisant [naam 1] heeft proberen te ontwijken door naar links te sturen. Dit komt overeen met hetgeen verdachte heeft verklaard. Verbalisanten [naam 2] en [naam 1] verklaren juist dat verdachte niet heeft geremd en naar rechts stuurde waarbij hij verbalisant [naam 1] heeft geraakt. De rechtbank kan, gezien deze verschillende lezingen van het ongeval, niet vaststellen wat er daadwerkelijk is gebeurd en kan onder deze omstandigheden dan ook geen oordeel geven over de vraag of verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De rechtbank kan niet uitsluiten dat er sprake is geweest van een onbedoelde gelijktijdige beweging van zowel verdachte als verbalisant [naam 1] , waarbij verdachte verbalisant heeft proberen te ontwijken en verbalisant [naam 1] , uit een schrikreactie, naar dezelfde kant is gesprongen, hetgeen ook wordt verklaard door getuige [getuige] . In dat geval zou er weliswaar sprake zijn van wetenschap van een aanmerkelijke kans op het gevolg, maar zou verdachte ervan uit zijn gegaan dat het gevolg door zijn uitwijkmanoeuvre niet zou intreden. Dit zou bewuste schuld opleveren (met – grove - onachtzaamheid handelen), maar niet voorwaardelijk opzet op zware mishandeling. Gezien het bovenstaande kan de rechtbank, op basis van de bewijsmiddelen, niet vaststellen dat er aan de zijde van verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Tenlastegelegde onder feit 2 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde feit. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de substantie die is aangetroffen op het parkeerterrein daadwerkelijk cocaïne betrof en dat deze substantie aan verdachte heeft toebehoord. Tenlastegelegde onder feit 3 Verdachte heeft het aan hem primair ten laste gelegde feit onder 3 bekend. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, afkomstig uit het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2022011897 van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 t/m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.