RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/5348 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 op het verzet van [belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende, Procesverloop Belanghebbende heeft tegen een door de inspecteur van de Belastingdienst opgelegde (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekering over het jaar 2018 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 april 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en heeft daarbij niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de bezwaarfase niet is doorlopen. Het beroepschrift is op grond van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar de inspecteur om in behandeling te nemen als bezwaarschrift. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. Belanghebbende voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij tot op heden geen reactie heeft ontvangen van de inspecteur na de uitspraak van de rechtbank en geeft verder aan niet erop te vertrouwen dat de Belastingdienst de uitspraak van de rechtbank zal uitvoeren. Uit hetgeen belanghebbende aanvoert volgt niet dat het oordeel van de rechtbank, dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat eerst bezwaar is gemaakt, onjuist is. Dat belanghebbende geen vertrouwen heeft in de uitvoering van de uitspaak door de belastingdienst is spijtig, maar kan niet tot een ander oordeel leiden. In wat belanghebbende heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.