RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 21/2286 en 21/2287 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2021. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.234 (hierna: de aanslag IB/PVV). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur belanghebbende € 1.197 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een vergrijpboete van € 6.770 opgelegd (hierna: de boetebeschikking). 1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 37.638 (hierna: de aanslag Zvw). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag Zvw heeft de inspecteur belanghebbende € 179 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking). 1.4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd. 1.5. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.6. De gemachtigde heeft op 5 september 2022 om 15:56 uur een verdagingsverzoek ingediend. Een afschrift hiervan wordt samen met deze uitspraak aan de inspecteur verzonden. 1.7. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de zaak te verdagen en heeft de beroepen op 6 september 2022, om 9:30 uur op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende en zijn gemachtigde waren niet aanwezig. 2Feiten 2.1. Belanghebbende woonde in 2017 alleen in een huurwoning aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning). 2.2. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2017 te doen. Belanghebbende heeft over het jaar 2017 geen aangifte IB/PVV gedaan. 2.3. Op [datum 2] is in de woning van belanghebbende een hennepkwekerij aangetroffen. 2.4. De inspecteur heeft, naar aanleiding van de informatie van de Officier van Justitie over het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende, een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende (hierna: het boekenonderzoek). 2.5. Bij vonnis van [datum 3] is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld. Tevens is hij veroordeeld om een ontnemingsvordering van € 33.493,76 te voldoen. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. 2.6. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur het inkomen van belanghebbende gecorrigeerd met resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) van € 37.638. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van € 6.770. Het betreft de volgende aanslagen. Belastbaar inkomen uit werk en woning Bijdrage-inkomen Belastingrente Vergrijpboete Aanslag IB/PVV € 52.234 € 1.197 € 6.770 Aanslag Zvw € 37.638 € 179 2.7. Het inkomen uit ROW van € 37.638 is berekend aan de hand van het strafdossier waarbij de inspecteur uit is gegaan van één oogst van de aangetroffen planten in de kweekruimte. 2.8. Het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen, de vergrijpboete en de belastingrente is ongegrond verklaard. 2.9. Tot de gedingstukken behoort een rapport van een psychologisch onderzoek. Hierin staat, voor zover thans van belang, het volgende: “[naam 1] is een [leeftijd] man van [land] afkomst. In [land] heeft hij geen onderwijs gevolgd. Hij woont sinds [jaar] in Nederland. [naam 1] spreekt beperkt Nederlands en kan nauwelijks lezen en schrijven. Hij huurt een woning en krijgt ambulante begeleiding vanuit [naam 2] . (…) intelligentie De cognitieve mogelijkheden van [naam 1] zijn in kaart gebracht middels de SON -R 6-40, een niet-verbale Intelligentietest. Cognitief gezien functioneert [naam 1] op licht verstandelijk beperkt niveau (SON -IQ: 58, met referentieleeftijden tussen <5;6 en 6,6 jaar). [naam 1] heeft bij aanvang van de test zeer veel moeite met het begrijpen van de instructie, zowel verbaal als niet verbaal. Hij geeft herhaaldelijk aan dat hij het niet snapt en maakt vervolgens de oefenopgaven fout. Dit geldt met name voor de subtesten uit de redeneerschaal (Analogieën en Categorieën). (…) Taalbegrip (…) [naam 1] geeft vaak aan dat hij het woord niet kent. Het wordt te moeilijk voor hem wanneer er gevraagd wordt naar abstracte woorden zoals emoties of naar (werk)woorden die niet alledaags zijn. Eenvoudige en dagelijkse woorden weet [naam 1] goed aan te wijzen, al kent hij ze niet allemaal. Het taalbegrip van [naam 1] komt ongeveer overeen met een leeftijd van 8 jaar (…). Om toch een indicatie te geven van het niveau is gebruik gemaakt van het ontwikkelingsniveau en hieruit komt een leeftijdsequivalent van 8 jaar. Hoewel zijn taalbegrip erg beperkt is, lijkt er geen sprake te zijn van een taalstoornis in engere zin, maar lijkt deze beperking in taal onderdeel van een algehele verstandelijke beperking.” 2.10. Tevens is namens belanghebbende een verklaring van een arts overgelegd, opgemaakt op [datum 1] waarin het volgende verklaard wordt: “Hierbij verklaar ik, [naam 3] dat ik op maandag 1 mei 2017 in de rol van generalist bij [stichting] , dhr. [naam 1] op het huisadres van zijn vader aan de [adres 2] , te [plaats] heb bezocht. Dhr. [naam 1] verbleef tijdelijk op het adres van zijn vader omdat hij herstellende en revaliderende was van een zware operatie aan zijn heup-slagaders. Zijn vader en andere familieleden verleenden mantelzorg aan dhr. [belanghebbende].” 3Beoordeling door de rechtbank Afwijzing verdagingsverzoek 3.1. De gemachtigde heeft op 5 september 2022, om 15:56 uur een verdagingsverzoek ingediend. 3.2. Het verdagen van de zitting is een bevoegdheid van de rechtbank. Bij de toepassing hiervan dient zij rekening te houden met verschillende belangen, waaronder die van alle bij de procedure betrokken partijen, alsook het belang van een goede rechtspleging dat is gediend met een voortvarende behandeling van de zaak. Gelet op de inhoud van het verzoek alsmede het tijdstip waarop het verzoek is gedaan, heeft de rechtbank om proceseconomische redenen geen aanleiding gezien om aan het verzoek van de gemachtigde tegemoet te komen. Inhoudelijk 3.3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen en de vergrijpboete terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3.4. Belanghebbende heeft in de kern gesteld dat hij geen inkomsten heeft genoten uit hennepteelt, maar dat een derde – in de periode waarin belanghebbende opgenomen was in een ziekenhuis en daarna voor revalidatie elders verbleef – in zijn woning een hennepkwekerij is gestart. Bij terugkomst in zijn woning heeft belanghebbende de hennepkwekerij aangetroffen, maar durfde geen aangifte hiervan te doen omdat hij bedreigd werd. Tevens is namens belanghebbende gesteld dat hij vanwege zijn fysieke en mentale beperkingen niet in staat kan zijn geweest om een hennepkwekerij te exploiteren. Bovendien had hij niet de financiële middelen of de kennis om apparatuur voor de kwekerij aan te schaffen. 3.5. De inspecteur is van mening dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende over het jaar 2017 geen aangifte IB/PVV heeft gedaan. Volgens hem is de correctie gebaseerd op de gemiddelde verkoopopbrengsten van hennep en het strafrechtelijk onderzoek zodat sprake is van een redelijke schatting. Ter onderbouwing van het ROW-inkomen is de inspecteur bij zijn berekening uitgegaan van één oogst in de periode tussen [datum 4] tot [datum 2] gebaseerd op de hoeveelheid aangetroffen planten en een groeicyclus van 10 weken. Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat de berekening van het inkomen uit ROW gebaseerd is op het strafrechtelijke rapport. Omkering en verzwaring bewijslast? 3.6. In artikel 27e, eerste lid, van de AWR is bepaald – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (“omkering en verzwaring van de bewijslast”). 3.7. Vast staat dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2017 te doen en dat hij geen aangifte IB/PVV heeft gedaan over het jaar 2017. Dit brengt mee dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.