← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:5759

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Tilburg zaak/rolnr.: 10043382 VV EXPL 22-77 vonnis in kort geding d.d. 5 oktober 2022 inzake [eiser] , wonende te [woonadres eiser] , eiser, gemachtigde: mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg, tegen de stichting Stichting Leystromen, gevestigd en kantoorhoudende te (5121 LN) Rijen aan de Julianastraat 51, gedaagde, gemachtigde: mr. P.L.T. Roks, advocaat te Tilburg. Partijen zullen hierna [eiser] en de Stichting worden genoemd. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 16 augustus 2022 met producties 1 tot en met 5; - de conclusie van antwoord van 6 september 2022 met producties 1 en 2; - e-mailcorrespondentie tussen partijen van 1 september 2022; - de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 6 september 2022; - de akte zijdens [eiser] waarin wordt medegedeeld dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt alsmede waarin wordt verzocht vonnis te wijzen. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2022. Ter zitting waren aanwezig [eiser] , bijgestaan door mr. I.A.C. Cools voornoemd, alsmede [forensisch begeleider] , ambulant forensisch begeleider van [eiser] . Namens de Stichting zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. P.L.T. Roks voornoemd. De gemachtigde van [eiser] heeft ter gelegenheid van de zitting zijn pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1 [eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair: de ontruiming van de woning aan [woonadres eiser] te schorsen voor zolang er geen onherroepelijke uitspraak is ten aanzien van de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning; Subsidiair: de ontruiming op te schorten voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn; de Stichting te veroordelen in de proceskosten. 2.2 De Stichting voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 3De beoordeling 3.1 Tussen partijen staan – voor zover van belang – de volgende feiten vast: tussen partijen bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning, staande en gelegen aan de [woonadres eiser] (hierna: de woning); in een bodemprocedure tussen partijen over onder meer de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft de kantonrechter in een vonnis van 13 juli jl. het volgende overwogen: “3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een huurovereenkomst bestaat waarbij [eiser] gehouden is de huur bij vooruitbetaling, voor de eerste van de maand, te betalen. Ook staat vast dat [eiser] vanaf juli 2021 een constante achterstand in de betaling van de huur heeft laten ontstaan. Op enig moment bedroeg deze achterstand drie maanden. Dit levert op zichzelf al een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst aan de zijde van [eiser] op. Naar het oordeel van de kantonrechter ook een zodanig ernstige tekortkoming, dat deze na het afwegen van de belangen van beide partijen, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. 3.6 Het stelselmatig niet tijdig betalen van de huur, is op zichzelf een voldoende ernstige tekortkoming. Daarnaast is er geen zicht op verbetering van de situatie. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven, op dat moment geen vast inkomen te hebben. Hij zou de huurachterstand willen inlopen met hulp van derden, maar de lopende huur kan hij niet tijdig voldoen. [eiser] stelt de lopende huur 2 tot 3 dagen te laat te betalen. Maar, ten tijde van de mondelinge behandeling van 16 juni 2022, was de huur voor de maand juni 2022 nog niet door Leystromen ontvangen. [eiser] had de huur voor die maand net die dag overgemaakt. Dat is een halve maand te laat. Hieruit volgt voor Leystromen onvoldoende zicht op verbetering en geeft geen vertrouwen voor de toekomst. Naast dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, is er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding voor het verlenen van een terme de grâce.” [eiser] heeft op 25 augustus 2022 een hoger beroep dagvaarding doen betekenen, waarbij de Stichting is gedagvaard tegen 27 september 2022; [eiser] heeft de Stichting verzocht de ontruiming op te schorten hangende het hoger beroep, de Stichting heeft dit verzoek van de hand gewezen; in de bodemprocedure is niet voldaan aan de meldingsplicht volgend uit art. 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening; de Stichting is bereid om de executie van het vonnis op te schorten in afwachting van de uitkomst van dit kort geding. 3.2 [eiser] heeft – kort weergegeven – aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de kantonrechter in voornoemde uitspraak niet heeft gemotiveerd waarom de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zou moeten worden verklaard. Derhalve dient volgens [eiser] de belangenafweging nog plaats te vinden. Hierover deelt hij mede dat de door de Stichting aangevoerde standpunten, waarin zij haar belang om woningen in de huursector rechtvaardig en doelmatig te kunnen verdelen zwaarder weegt dan het woonbelang van [eiser] , niet op gaan. [eiser] kan niet betwisten dat hij bij gelegenheden te laat de huurpenningen heeft voldaan, maar [eiser] kan de stelling dat sprake zou zijn van structureel te laat betalen niet volgen. Er is immers sprake van een betalingsonmacht, geen betalingsonwil, aldus [eiser] . Ook stelt [eiser] dat hij zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Dat [eiser] soms vanwege werkzaamheden en bezoek aan zijn kind niet thuis is, doet aan het voorgaande niets af. Tot slot voert [eiser] aan dat het centrum van zijn belangen zich bevindt in Noord-Brabant en hij niet beschikt over een vervangende woonruimte. Indien de ontruiming zal worden voorgezet, zal [eiser] dakloos geraken. 3.3 De Stichting heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter het gestelde woonbelang al heeft meegewogen in zijn vonnis. Weliswaar niet expliciet in de belangenafweging ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad, maar het belang is bij de beslissing wel meegewogen. Een voorzieningenrechter kan en mag die belangenafweging in een executiegeschil niet nog eens over doen, nu dat een verkapt appel zou impliceren, aldus de Stichting. Tevens voert de Stichting aan dat voornoemd woonbelang niet zwaarder kan wegen dan het belang van de Stichting, omdat een verhuurder zich in een dergelijk geval niet of nauwelijks zou kunnen bevrijden van een huurder die ernstig tekort schiet in zijn verplichtingen. Ook stelt de Stichting dat [eiser] gedurende de huurovereenkomst in 2020/2021 een kamer in Tilburg heeft gehuurd. De Stichting stelt dat [eiser] dus niet vreemd is met kamerbewoning en het niet zonder meer aannemelijk is dat hij niet wederom ergens een kamer kan huren. De Stichting is derhalve van mening dat zij een gerechtvaardigd belang heeft om zich te kunnen bevrijden van een structureel wanpresterende contractspartner, zodat zij de sociale huurwoning die [eiser] bezet houdt, kan verhuren aan een van de vele kandidaten die op de wachtlijst voor een sociale huurwoning staan. 3.4 In dit kort geding wordt gevorderd om de executie van de ontruiming van de woning, uitgesproken bij vonnis van 13 juli 2022, te schorsen. Het spoedeisend belang van het gevorderde vloeit voort uit de aard daarvan. 3.4.1 Voorheen gold voor een dergelijke vordering op grond van Hoge Raad 22 april 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AG4575) als toetsingskader dat schorsing slechts aan de orde kon zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berustte of als de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand deed ontstaan. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026), bevestigd in Hoge Raad 13 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:429) en Hoge Raad 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:806) geldt in een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering evenwel het volgende. 3.4.2 Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. 3.4.3 Bij de toepassing van de onder 3.4.2 genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. 3.4.4 Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. 3.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat in het vonnis geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarom moet worden aangenomen dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden en zal de voorzieningenrechter de onderhavige vordering beoordelen aan de hand van de hiervoor in rechtsoverweging 3.4.3 en 3.4.4 vermelde criteria. 3.6 Alvorens de voorzieningenrechter toekomt aan de belangenafweging, zal worden stilgestaan bij het volgende. Zoals in rechtsoverweging 3.4.3 overwogen staat het de voorzieningenrechter vrij een kennelijke misslag van het ten uitvoer te leggen vonnis te betrekken in de oordeelsvorming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan ongetwijfeld sprake. Immers, ter mondelinge behandeling van het kort geding is door de Stichting erkend dat niet is voldaan aan de meldingsplicht voortvloeiend uit art. 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening. Het voorgaande houdt in dat bij het ontstaan van de huurachterstand van [eiser] , door de Stichting geen melding daarvan is gemaakt bij de gemeente in het kader van vroegsignalering. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter denkbaar dat de kantonrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien het niet voldoen aan de meldingsplicht zou zijn betrokken in zijn oordeelsvorming. Gelet op het voorgaande beschikt de kennelijke misslag over een dusdanig gewicht dat de vordering tot schorsing van het ten uitvoer te leggen vonnis dient te worden toegewezen. 3.7 Al hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, leidt niet tot een andersluidend oordeel. 3.8 Het voorgaande betekent dat de primaire vordering tot schorsing van het vonnis, tot er een onherroepelijke uitspraak is ten aanzien van de beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, zal worden toegewezen. 3.9 De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding. De proceskosten zullen worden begroot op: explootkosten € 127,43 griffierecht € 498,00 salaris gemachtigde € 86,00 totaal € 711,43 4De beslissing in kort geding De voorzieningenrechter: schorst de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming van de woning aan de [woonadres eiser] , voor zolang er geen onherroepelijke uitspraak is ten aanzien van de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning; bepaalt dat de verplichtingen zoals genoemd in de huurovereenkomst weer van kracht zullen worden voor zo lang er geen onherroepelijke uitspraak is; veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 711,43, daarin begrepen een bedrag van € 498,00 als salaris voor gemachtigde van [eiser] ; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Boeder, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.