RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 21/2053 en 21/2054 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , te [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 maart 2021. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Tegen die beslissingen heeft belanghebbende beroep ingesteld. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen eerst op 16 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende telefonisch deelgenomen. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] en [inspecteur 2] fysiek aan de zitting deelgenomen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.6. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting de behandeling geschorst en de inspecteur met toepassing van artikel 8:51a Awb (bestuurlijke lus) in de gelegenheid gesteld om belanghebbende uit te nodigen voor een hoorgesprek en te horen. 1.7. De inspecteur heeft vervolgens meegedeeld dat en op welke wijze belanghebbende is gehoord. Belanghebbende heeft zijn zienswijze daarover naar voren gebracht. Deze stukken zijn doorgestuurd aan de andere partij. 1.8. De inspecteur heeft aangegeven gebruik te willen maken van zijn recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft de beroepen op 21 september 2022 nader op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende, de begeleider van belanghebbende [begeleider] , en namens de inspecteur: [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . 1.9. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd. 2Feiten 2.1. Ter verdubbeling van het aantal spoorlijnen in het baanvak [baanvak] en de realisering van een spoortunnel heeft Prorail in 1998 (onder meer) een perceel grond, het perceel [perceel 1] van de moeder van belanghebbende gekocht. In de betreffende koopovereenkomst is een recht van terugkoop opgenomen van dit perceel, aangevuld met een strook van perceel [perceel 2] of een nabijgelegen perceel. 2.2. Belanghebbende heeft in 2005 een deel van het perceel [perceel 2] van Prorail gekocht (hierna: het perceel). Aan belanghebbende is een vergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel. 2.3. Belanghebbende heeft (civielrechtelijk) geprocedeerd tegen de gemeente [gemeente] en Prorail. Onderwerp van geschil was onder meer of belanghebbende dan wel zijn moeder recht had op teruglevering van het perceel [perceel 1] , en het handelen jegens hem ten aanzien van het perceel [perceel 2] . 2.4. De voornoemde procedures hebben ertoe geleid dat belanghebbende in de jaren 2014 en 2015 nog niet met de bouw van de eigen woning op het perceel is gestart. Belanghebbende heeft wel vanaf het moment van verkrijging van het perceel de intentie gehad om op het perceel een eigen woning te bouwen. 2.5. De inspecteur heeft in de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 het perceel betrokken in de grondslag inkomen uit sparen en beleggen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. 3Beoordeling door de rechtbank Vooraf 3.1. Tussen partijen staat vast dat de inspecteur in de bezwaarfase belanghebbende ten onrechte niet heeft gehoord. Uit de gedingstukken volgt dat partijen onder meer van mening verschillen over de van belang zijnde feiten en over de waardering daarvan, namelijk of het perceel in de jaren 2014 en 2015 kwalificeert als woning in aanbouw. Gelet hierop acht de rechtbank belanghebbende door het niet horen benadeeld. Dat brengt met zich mee dat de uitspraak op het bezwaar niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). 3.2. Na toepassing van de bestuurlijke lus, waarbij belanghebbende alsnog is gehoord, kan de rechtbank de zaak afdoen omdat het geconstateerde gebrek is hersteld. Het inhoudelijke geschil 3.3. Tussen partijen is in geschil of het perceel in de jaren 2014 en 2015 voor de heffing van inkomstenbelasting moet worden betrokken als inkomen uit werk en woning (box 1) of als inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of ten aanzien van het perceel sprake is van een ‘woning in aanbouw’ als bedoeld in artikel 3.111, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Woning in aanbouw 3.4. Artikel 3.111, derde lid van de Wet IB 2001 luidt als volgt (tekst 2014 - 2015): “Een woning wordt mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan.” 3.5. De Hoge Raad heeft in 2014 geoordeeld dat het begrip ‘woning in aanbouw’ aldus moet worden uitgelegd dat daarvan pas sprake is vanaf het moment van aanvang van de (feitelijke) bouwkundige werkzaamheden die tot de stichting van die woning leiden. Kort gezegd: eerst bij aanvang van de bouw. 3.6. Bij besluit van 26 november 2014 heeft de Staatssecretaris van Financiën het volgende goedgekeurd: “Ik keur goed dat in afwijking van de genoemde arresten ook sprake kan zijn van een woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001 als er voldoende concrete stappen zijn gezet op grond waarvan naar redelijke verwachting valt aan te nemen dat de bouwkundige werkzaamheden binnen afzienbare tijd gaan beginnen. Ingeval van nieuwbouw is sprake van een woning in aanbouw vanaf het moment van sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst als belastingplichtige aannemelijk maakt dat die woning in aanbouw uitsluitend bestemd is om hem in het kalenderjaar van het moment van het sluiten van de koop-/aanneemovereenkomst of een van de drie daaropvolgende jaren als hoofdverblijf ter beschikking te staan. Bij een bouwkavel gaat het om een weging van de feiten en omstandigheden in het individuele geval om te bepalen vanaf welk moment sprake is van een woning in aanbouw. Als belastingplichtige een bouwkavel heeft en de bouwkundige werkzaamheden zijn begonnen, dan geldt het volgende. In die situatie kan worden aangenomen dat in ieder geval vanaf zes maanden voorafgaand aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden, sprake is van een woning in aanbouw. De belastingplichtige moet dan wel aannemelijk maken dat die woning in aanbouw vanaf zes maanden voorafgaand aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden, uitsluitend bestemd is om hem in het kalenderjaar of een van de drie daaropvolgende jaren als hoofdverblijf ter beschikking te staan. ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 oktober 2014, met uitzondering van artikel I, onderdeel B.” 3.7. Belanghebbende meent dat het perceel reeds in 2014 en 2015 kwalificeert als woning in aanbouw omdat hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.