← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:6019

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-665420-17 rk-nummers: 21-007311 Beslissing op de verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op de verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 19 januari 2022, in de zaak: [verzoeker] geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] woonplaats kiezende ten kantore van mr. L. de Leon, Maliebaan 57, 3581 CE Utrecht Verzoeker is [verzoeker] voornoemd. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 111.516,72, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 280,00 dan wel € 560,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; het vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2021 waarbij verzoeker is vrijgesproken; de schriftelijke reactie van de officier van justitie. Op 19 januari 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J. Casteleins, en mr. L. de Leon als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. De advocaat heeft verzocht om toewijzing van de door verzoeker gemaakte kosten rechtsbijstand van € 111.516,72, alsmede voor de forfaitaire vergoeding voor het indienen van een verzoekschrift en de behandeling in raadkamer. De advocaat heeft in raadkamer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat het verzochte bedrag toewijsbaar is. De rechtbank in Middelburg heeft de zaak slechts naar raadkamer verwezen vanwege de hoogte van het bedrag. De officier van justitie heeft in raadkamer toegelicht dat hij overleg heeft gehad met zijn zaakscollega en dat het verzochte toewijsbaar is. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd. Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman. Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 111.516,72 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank niet onbillijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend, nu het verzoekschrift is ingediend nà 1 maart 2021. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 112.196,72 bestaande uit: - € 111.516,72 aan kosten van rechtsbijstand; - € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; bepaalt dat een bedrag van € 112.196,72 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor de Leon, onder vermelding van “020.0117”. Deze beslissing is op 2 februari 2022 gegeven door mr. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. de Kroon en mr. van Grinsven, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2022. De griffiers zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.