RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/600 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2022 op het verzet van [naam opposant], uit [woonplaats], opposant. Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (verweerder) volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvragen van 1 november 2021, 10 december 2021 en 12 januari 2022 om een uitkering op grond van de Participatiewet. Bij uitspraak van 17 juni 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 4 oktober 2022 op zitting behandeld. Opposant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat er geen aanvraag van 1 november 2021 is en dat de brieven van 10 december 2021 en 12 januari 2022 niet aan te merken zijn als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er wel degelijk een aanvraag voor een uitkering met ingang van 1 november 2021 is en overlegt hiertoe een kopie van een brief gedateerd 31 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.