RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 20/7945 en 21/2325 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 23 juli 2020 en 22 mei
- 1.
- De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.815 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.
- Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2017) van €
- 1.
- De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.820 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.
- Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2018) van €
- 1.
- De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 deels gegrond verklaard. 1.
- De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. In het verweerschrift met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017 heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het belastbaar inkomen uit werk en woning, overeenkomstig de motivering van de uitspraak op bezwaar, verminderd dient te worden naar € 19.
- 1.
- Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verzonden aan de inspecteur. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 6 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door [naam] en namens de inspecteur, [inspecteur]. 2Beoordeling door de rechtbank 2.
- Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat de uitgaven voor extra gezinshulp voor het jaar 2017 voor een bedrag van € 3.800 (vóór toepassing van de drempel) en voor het jaar 2018 voor een bedrag van € 4.500 (vóór toepassing van de drempel) alsnog in aanmerking zullen worden genomen als specifieke zorgkosten. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. 2.
- Als gevolg van het compromis wordt de aanslag IB/PVV 2017 aanvullend verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.710 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.
- De aanslag IB/PVV 2018 wordt verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.092 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.
- 3Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.710 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.832 en wijzigt de belastingrentebeschikking 2017 in overeenstemming daarmee; - vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.092 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.011 en wijzigt de belastingrentebeschikking 2018 in overeenstemming daarmee; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 97 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.