RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/3043 BRP uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om [naam kind] , geboren op 1 april 2006, als zijn kind te registreren in de basisregistratie personen (brp). Met het bestreden besluit van 8 juni 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 20 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college [naam vertegenwoordiger] en mr. E.M.A. Vissers. Totstandkoming van het besluit Op 5 maart 2020 heeft eiser een verzoek gedaan om [naam kind] als zijn kind te registreren in de brp. Daarbij heeft hij de geboorteakte van haar en een toestemmingsverklaring van haar moeder overgelegd. De documenten zijn onderzocht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De IND heeft geconcludeerd dat de documenten echt zijn. Op 1 mei 2020 heeft het college eiser uitgenodigd voor een informatief gesprek, dat op 14 mei 2020 heeft plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft eiser onder andere verklaard dat [naam kind] samen met zijn zus in zijn huis in Ghana woont, dat hij eind 2002 getrouwd is met haar moeder en dat hij niet bij de “Naming ceremony” is geweest. Er zijn geen officiële stukken van het huwelijk of de scheiding. Eiser heeft een boekje genaamd “Child Health Records” overgelegd. Dit document is onderzocht door de IND, die heeft geconcludeerd dat het document waarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven is door de in het document genoemde instantie. In een brief van 22 juni 2020 heeft het college eiser verzocht om (nadere) bewijsstukken in te dienen waaruit zijn relatie met [naam kind] blijkt en waaruit blijkt dat hij gehuwd was met haar moeder toen zij geboren werd. Op 29 juli 2020 heeft eiser een opdracht tot betaling overgelegd van een bedrag van € 45,- aan “ [naam broer] ”. Eiser heeft toegelicht dat dit de broer van de moeder van [naam kind] is. Eiser heeft daarnaast een screenshot van bevestigingen van MobileMoney en een aantal foto’s overgelegd. In een brief van 17 september 2020 heeft het college eiser medegedeeld dat zij voornemens is om zijn verzoek af te wijzen, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de (juridisch) vader is van [naam kind] . Eiser heeft op 12 oktober 2020 zijn zienswijze gegeven over de voorgenomen afwijzing. Met het besluit van 23 oktober 2020 heeft het college het verzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank beoordeelt of het college terecht heeft besloten om [naam kind] niet als het kind van eiser in de brp op te nemen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Er zijn drie mogelijkheden voor eiser om als juridisch vader van [naam kind] te worden aangemerkt: 1) wanneer zij is geboren uit een huwelijk van eiser met haar moeder, 2) wanneer eiser haar naar Ghanees recht als zijn kind heeft erkend of 3) wanneer naar Ghanees gewoonterecht een familierechtelijke betrekking tussen eiser en [naam kind] is ontstaan. Eiser heeft betoogd dat van alle drie deze mogelijkheden sprake is. De rechtbank zal de drie mogelijkheden achtereenvolgens bespreken. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Is eiser juridisch vader van [naam kind] omdat zij is geboren uit een huwelijk van eiser met haar moeder? 1. Eiser betoogt dat hij toen [naam kind] geboren werd, gehuwd was met de moeder van het kind. Het ging om een traditioneel huwelijk naar Ghanees gewoonterecht. Dit wordt niet geregistreerd in de moskee. Hij heeft het huwelijk voldoende aannemelijk gemaakt met de door hem overgelegde foto’s. 1.1. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser met het enkel overleggen van de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam kind] is geboren uit het huwelijk van eiser met haar moeder. 2. De rechtbank volgt het college in haar standpunt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat [naam kind] is geboren uit een huwelijk tussen eiser en haar moeder. Uit enkel de foto’s die door eiser zijn overgelegd blijkt dat niet. Uit de foto’s is niet af te leiden dat sprake is van een huwelijk, is niet af te leiden dat sprake is van een huwelijk tussen eiser en de moeder van [naam kind] en is ook niet af te leiden wanneer het huwelijk heeft plaatsgevonden en dat [naam kind] uit dit huwelijk is geboren. De beroepsgrond slaagt niet. Is eiser juridisch vader van [naam kind] omdat hij haar naar Ghanees recht heeft erkend? 3. Eiser betoogt dat sprake is van een gezamenlijke geboorte aangifte, die door de moeder is gedaan. Naar Ghanees recht wordt er geen naam van een persoon als vader van het kind ingevoerd, tenzij daartoe een gezamenlijk verzoek wordt gedaan door de moeder van het kind en degene die verklaart de vader van het kind te zijn. Degene die verklaart de vader van het kind te zijn zal de registratie samen met de moeder ondertekenen, of hij zal in de voorgeschreven vorm verklaren dat hij de vader van het kind is. Eiser heeft aan deze voorwaarde voldaan, anders was hij in Ghana niet als vader geregistreerd. 3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat van erkenning naar Ghanees recht kan worden uitgegaan als eiser als vader én als aangever op de geboorteakte vermeld staat. In dit geval is eiser wel als vader vermeld, maar heeft alleen moeder de geboorte aangegeven. Eiser heeft daarmee niet de rechtshandeling verricht die nodig is om het kind te erkennen. 4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij [naam kind] naar Ghanees recht erkend heeft. Het betoog van eiser dat wel aan de voorwaarden voldaan moet zijn omdat hij anders niet als vader in de geboorteakte zou zijn opgenomen, volgt de rechtbank niet. Het door eiser genoemde wetsartikel uit de Ghanese Registration of Births and Deaths Act ziet namelijk op de situatie dat er twijfel bestaat over wie de vader is. In de betreffende procedure kan met een gezamenlijke aangifte worden vastgesteld wie de vader is. In dit geval was een dergelijke situatie niet aan de orde: de moeder van [naam kind] heeft eiser als vader opgegeven. Verder ziet de rechtbank niet in waarom eiser geen bewijs heeft kunnen overleggen van de verklaring zoals hij die afgegeven zou hebben. De beroepsgrond slaagt niet. Is eiser juridisch vader van [naam kind] omdat hij haar naar Ghanees gewoonterecht heeft erkend? 5. Eiser betoogt dat het college een onjuist beoordelingskader heeft gebruikt bij de beantwoording van de vraag of hij [naam kind] naar Ghanees gewoonterecht heeft erkend. Het college is uitgegaan van drie cumulatieve criteria die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hanteert, onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van 15 maart 2017. Eiser wijst op de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (het Hof) van 24 maart 2021, waarin het Hof naar aanleiding van een deskundigenrapport van het Internationaal Juridisch Instituut, andere, niet cumulatieve criteria heeft gehanteerd. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aan deze criteria voldoet. 5.1. Op de zitting heeft het college zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat de criteria gehanteerd door het Hof kunnen worden gevolgd. Het college heeft zich ter zitting verder op het standpunt gesteld dat eiser ook met dit beoordelingskader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij [naam kind] naar Ghanees gewoonterecht heeft erkend, omdat niet is gebleken van een gemeenschappelijke huishouding met haar moeder en ook niet is gebleken dat eiser [naam kind] heeft verzorgd en onderhouden. 6. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de criteria uit de genoemde uitspraak van het Hof moeten worden gevolgd. De uitspraak is recenter dan de uitspraak van de Afdeling en de criteria zijn vastgesteld naar aanleiding van een rapport van een deskundige op het gebied van Internationaal Privaatrecht. Een dergelijk rapport lag niet ten grondslag aan de uitspraak van de Afdeling. 6.1. Omdat het college haar standpunt pas op de zitting heeft gewijzigd, is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het niet aannemelijk is dat eiser door de schending is benadeeld. De rechtbank zal wel overgaan tot een veroordeling van het college in de proceskosten van eiser. Inhoudelijk 7. Bij de beoordeling of naar Ghanees gewoonterecht een rechtsgeldige erkenning heeft plaatsgevonden zijn naar het oordeel van het Hof de volgende omstandigheden van belang: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.