← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:6135

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/320 WIA uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 19 november 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. In dat besluit is het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder van 9 juli 2021 inzake de beëindiging van de Ziektewetuitkering, niet-ontvankelijk verklaard. Overwegingen Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Vast staat dat verweerder het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 19 november 2021 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 31 december 2021. Het beroepschrift is op 19 januari 2022 bij de rechtbank ontvangen en is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend. Eiser heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Gelet op de sticker met de track & trace code op de enveloppe gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 17 januari 2022 op de post is gedaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Eiser heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Eiser was sinds november 2021 aan zijn bed gekluisterd. Door pijn heeft hij veel niet kunnen doen of af kunnen handelen. Omdat er veel zaken zijn blijven liggen heeft eiser een kennis gevraagd om de gehele administratie voor hem te doen. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het ligt op de weg van eiser om bij ziekte maatregelen te treffen ter behartiging van zijn belangen. De eigen verantwoordelijkheid staat daarbij voorop. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door medische stukken te overleggen, dat hij gedurende de gehele beroepstermijn niet in staat is geweest om tijdig een (eventueel voorlopig) beroepschrift in te dienen dan wel tijdig een derde in te schakelen om dit namens hem te doen. Gelet op het feit dat eiser kennelijk wel in staat is geweest om op hulp te zoeken om voor hem de administratie te doen, valt niet in zien waarom eiser dit niet eerder -en nog tijdig- had kunnen doen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 21 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.