RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 18/5416 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit Goes , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur), en de Minister van Veiligheid en Justitie (de Minister). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 juli 2018. De inspecteur heeft met dagtekening 23 juni 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.911. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft inspecteur belanghebbende € 549 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). Belanghebbende heeft hiertegen op 2 augustus 2017 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 96.716 omdat de berekening van de looninkomsten van [SA 1] onjuist was. Als gevolg van die vermindering heeft de inspecteur de belastingrentebeschikking verminderd. Ook heeft de inspecteur een kostenvergoeding aan belanghebbende toegekend. Belanghebbende heeft tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen zijn uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 21 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom de uitbraak van Covid-19 (sluiting gerechtsgebouwen) is deze zitting geannuleerd. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 29 oktober 2020. Deze zitting is ambtshalve verdaagd. De rechtbank heeft partijen op 13 april 2022 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Bij brief met dagtekening 20 april 2022 heeft de inspecteur toestemming gegeven om diverse zaken, waaronder die van belanghebbende, zonder mondelinge behandeling af te doen. Per Zivver heeft gemachtigde op 4 mei 2022 verzocht om op uiterlijk 18 mei 2022 uitspraak te doen in diverse zaken waaronder de onderhavige zaak. Dit vanwege de voorwaarden die zijn opgenomen in de Regeling tijdelijke tegemoetkoming Rijnvarenden. Belanghebbende is ermee akkoord gegaan dat de zaak zonder mondelinge behandeling wordt afgedaan. Voorts heeft gemachtigde verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om een uitspraak voor 18 mei 2022 heeft de rechtbank op 16 mei 2022 afgewezen. Bij brief van 9 juni 2022 heeft gemachtigde de rechtbank verzocht om vóór 30 juni 2022 uitspraak te doen. Ook dit verzoek heeft de rechtbank afgewezen en vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak gesloten. Bij sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Feiten Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en was geheel 2015 woonachtig in Nederland. Hij had in 2015 de leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt. Van 1 januari tot en met 31 mei 2015 was belanghebbende in dienst van twee werkgevers, namelijk [SA 1] (50%), gevestigd te Luxemburg en [SA 2] (50%), gevestigd te Bulgarije . Vanaf 1 juni 2015 was belanghebbende volledig in dienst van [SA 1] , gevestigd te Luxemburg . Belanghebbende was in 2015 als schipper in loondienst werkzaam aan boord van binnenvaartmotortankschip ‘ [het tankschip] ’. [het tankschip] pleegt in de Rijnvaart te worden gebruikt. De eigenaar van het schip is gevestigd in Nederland. Volgens de afgegeven Rijnvaartverklaring wordt het schip geëxploiteerd door [SA 1] , gevestigd te Luxemburg , bij welke onderneming belanghebbende (mede) in dienstbetrekking is. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag IB/PVV voor 2015 opgelegd waarbij hij ervan is uitgegaan dat belanghebbende in 2015 geen recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor het van [SA 2] ontvangen inkomen en dat hij verplicht verzekerd is in Nederland voor de PVV in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van een vrijstelling voor de PVV voor de periode van 1 januari tot en met 31 mei 2015, tegen het niet toekennen van aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de van [SA 2] ontvangen inkomsten en tegen de hoogte van het inkomen van [SA 1] . De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard voor zover het ziet op de hoogte van het inkomen van [SA 1] . Voor het overige heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2015 is opgelegd naar een te hoog bedrag. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 verplicht verzekerd is voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en om die reden premieplichtig is. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de van [SA 2] ontvangen inkomsten. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag niet te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Bevoegdheid inspecteur Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet de bevoegde autoriteit is om het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht vast te stellen. Die stelling is onjuist. Ook in een geval waarin de verzekeringsplicht van belanghebbende niet is vastgesteld door de bevoegde instantie in het sociaal zekerheidsrecht dient de inspecteur op de voet van de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11, eerste lid, van de AWR de premie voor de volksverzekeringen te heffen. Daartoe dient de inspecteur met inachtneming van de toepasselijke regelgeving te bepalen of belanghebbende voor de betrokken periode verzekeringsplichtig en daarmee premieplichtig voor de volksverzekeringen is en, zo ja, premie te heffen. Bewijslastverdeling Op grond van artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking van artikel 6 van de AOW wordt op grond van artikel 6a van de AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Vaststaat dat belanghebbende in 2015 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is belanghebbende voor het jaar 2015 aan te merken als Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 niet in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen, maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig was. De rechtbank is van oordeel dat nu belanghebbende zich beroept op afwijking van de hoofdregel dat een Nederlandse ingezetene in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen, op hem de last rust de daarvoor van belang zijnde feiten te stellen en – in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur – aannemelijk te maken. Voor zover belanghebbende betoogt dat een andere bewijslastverdeling geldt, faalt dit betoog. Premieplicht periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 Voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 staat vast dat belanghebbende in dienst was bij een Luxemburgse werkgever en dat hij zijn beroepsarbeid heeft verricht aan boord van aan schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart is gebruikt. Tevens heeft belanghebbende in die periode aan boord van het schip werkzaamheden verricht voor een Bulgaarse werkgever. Vaststaat dat belanghebbende deze werkzaamheden niet heeft verricht in Bulgarije . Tussen partijen is in geschil of de premieplicht moet worden vastgesteld met toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst. De inspecteur stelt dat die overeenkomst niet van toepassing is op de werkzaamheden die belanghebbende verricht voor de Bulgaarse werkgever omdat die bestaan uit het (telefonisch) benaderen van andere schippers voor opslag en de beloning een soort prestatiebonus is. Belanghebbende stelt dat de werkzaamheden worden verricht als rijnvarende en niet anders zijn dan de gewone werkzaamheden als schipper. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de beloning van de Bulgaarse werkgever niet is gegeven voor de beroepswerkzaamheden van belanghebbende als varend personeel op het schip. Voor die werkzaamheden is belanghebbende kennelijk betaald door [SA 1] . Uit de stukken blijkt dat de beloningen van de Bulgaarse werkgever onregelmatig zijn en elke maand variëren in hoogte, wat niet begrijpelijk is als ze een beloning voor de gewone werkzaamheden als schipper zouden zijn. Daarom acht de rechtbank aannemelijk dat die beloning, zoals de inspecteur heef gesteld, een soort prestatiebonus is voor andere werkzaamheden dan die als schipper, namelijk voor het benaderen van andere schippers voor opslag. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat een beloning die wordt toegekend omdat belanghebbende andere schippers met succes benadert voor opslag, niet voor de werkzaamheden van belanghebbende als Rijnvarende wordt toegekend. Het is immers geen beloning voor werkzaamheden die hij uitvoert als bemanning van het schip en die nodig zijn om dat specifieke schip in de vaart te houden. Aan dit oordeel doet niet af dat de mogelijkheid om de Bulgaarse beloningen te verdienen vergemakkelijkt wordt door de positie van belanghebbende als schipper in de Rijnvaart. Dat neemt immers niet weg dat die beloningen niet aan belanghebbende worden verstrekt voor diens werkzaamheden als schipper in de Rijnvaart, maar voor iets anders. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat belanghebbende van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 in loondienst zowel werkzaamheden als Rijnvarende verrichtte als andere werkzaamheden in dienstbetrekking, en dat al die werkzaamheden in meerdere lidstaten werden uitgeoefend. De Rijnvarendenovereenkomst is een, op artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening (EG) 883/2004, gebaseerde regeling in afwijking van de artikelen 11 tot en met 15 van die verordening. Krachtens artikel 2 van de overeenkomst is deze van toepassing op alle personen die als Rijnvarenden, zoals bedoeld in artikel 1 a), aan de wetgeving van één of meerdere opeenvolgende Ondertekenende Staten onderworpen zijn of zijn geweest. Uit deze bepaling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst niet op belanghebbende van toepassing is van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 omdat hij voor de werkzaamheden voor de Bulgaarse werkgever weliswaar aan de Bulgaarse sociale wetgeving dan wel de Nederlandse sociale wetgeving (als woonstaat) is onderworpen, maar hij daaraan niet als Rijnvarende is onderworpen. Voor dat geval moet de verzekeringsplicht van belanghebbende worden vastgesteld op basis van artikel 13 van de Basisverordening (EG) 883/2004, dat bepaalt: Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.