RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/618 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2022 op het verzet van [belanghebbende] , te [plaats 1] , belanghebbende (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels). Procesverloop Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg van 24 december 2020, betreffende de in de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2020 van het object [adres] te [plaats 2] , beroep ingesteld. Bij uitspraak van 2 februari 2022 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 21 oktober 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens de heffingsambtenaar hebben deelgenomen [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . Overwegingen De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht nu er sprake is van een vaststellingsovereenkomst en de WOZ-waarde conform die overeenkomst is vastgesteld. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat met belanghebbende een meerjarig compromis is afgesloten. Belanghebbende heeft dit ook niet betwist. Het bezwaar van belanghebbende tegen de – conform het compromis – vastgestelde WOZ-waarde voor het object voor het jaar 2020 is daardoor ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld. Bij brief van 18 oktober 2021 is aan belanghebbende gevraagd wat het procesbelang is bij (voortzetting van) de beroepsprocedure. Belanghebbende heeft aangevoerd dat er een totaal andere situatie is ontstaan door Covid-19 Corona en dat de oorspronkelijke omstandigheden dateren van voor Corona. Belanghebbende voegt daarbij een advies van de procureur-generaal aan de Hoge Raad toe, waarin de procureur-generaal Corona een gebrek en een onvoorziene omstandigheid noemt. De rechtbank heeft het beroep vervolgens kennelijk ongegrond verklaard. Tijdens de verzetzitting heeft belanghebbende aangevoerd dat de Hoge Raad in de uitspraak van 24 december 2021 (alsnog) heeft geoordeeld dat Corona een onvoorziene omstandigheid is. Volgens belanghebbende kan hierdoor het compromis worden opengebroken. In de vaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen: “(…) Voor de jaren 2018, 2019 en 2020 wordt bij de waardebepaling alleen uitgegaan van trendmatige aanpassing/marktontwikkeling. Tenzij sprake is van ver- of nieuwbouw (…).” Volgens belanghebbende is corona een marktontwikkeling die geldt vanaf (in ieder geval) 12 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.