RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-259249-20 rk-nummer: 21-018812 Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 2 december 2021, in de zaak: [verzoeker] geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] woonplaats kiezende ten kantore van mr. M.A. Buntsma, Delpratsingel 25 te 4811 AP Breda. Verzoeker is [verzoeker] voornoemd. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 978,00, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van de verzoekschriften; de kennisgeving voorwaardelijk sepot van 26 november 2020; de schriftelijke reactie van de officier van justitie. Op 15 maart 2022 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. M.A. Buntsma als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Namens verzoeker is aangevoerd dat de zaak tegen hem op 26 november 2020 voorwaardelijk is geseponeerd met een proeftijd van één jaar. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Verzocht wordt om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand van in totaal € 978,00, bestaande uit € 500,00 wegens kosten voor rechtsbijstand politieverhoor en reistijd politiebureau en € 478,00 aan kosten eigen bijdrage rechtsbijstand: verzoeker is niet aangehouden, zodat hij zelf moest instaan voor de kosten van verhoorbijstand. Voorts heeft de advocaat verzocht om toekenning van de forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift. De officier van justitie heeft zich schriftelijk primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschrift, nu het verzoekschrift niet binnen drie maanden na 26 november 2020 – beslissing voorwaardelijk sepot – óf binnen drie maanden na 3 april 2021 – betekening voorwaardelijk sepot aan verzoeker – is ingediend. Tegelijkertijd is onder verwijzing naar jurisprudentie opgemerkt dat in het geval van een voorwaardelijk sepot verzoeker niet eerder voor schadevergoeding in aanmerking komt dan nadat de proeftijd is verstreken zonder dat de verzoeker de algemene voorwaarde heeft overtreden. De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat het een beleidssepot betreft. De zaak is geseponeerd in verband met de medeschuld van benadeelde. Verzoeker heeft de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad. Uit de stukken blijkt namelijk dat, na het moment dat benadeelde heeft gezegd “Doorlopen, godverdomme”, verzoeker benadeelde aan zijn haren door de spijlen van de poort heeft getrokken, waardoor benadeelde letsel heeft opgelopen. De verklaringen van benadeelde worden onderschreven door een getuigenverklaring. Gelet hierop stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding voor kosten rechtsbijstand toe te kennen. De forfaitaire vergoeding dient gelet op dit standpunt ook te worden afgewezen. In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het verzoekschrift. In aanvulling daarop heeft hij stukken overgelegd ter onderbouwing van de kosten voor rechtsbijstand. Hieruit blijkt dat een “fixed price” ter hoogte van € 500,00 met verzoeker is afgesproken, omdat verzoeker zelf de kosten voor een raadsman moest dragen en vergoeding van alle uren van de raadsman een te grote financiële belasting voor verzoeker zou opleveren. Ook is een concept-urenspecificatie overgelegd waaruit blijkt dat de raadsman bij het schrijven van alle uren op het dubbele van de “fixed price” uit zou komen. De andere factuur betreft de eigen bijdrage van verzoeker. De advocaat heefet gesteld dat het standpunt van de officier van justitie over de ontvankelijkheid van de verzoeken onjuist is. De termijn voor het indienen van het verzoekschrift gaat namelijk pas in op het moment dat de proeftijd van het voorwaardelijk sepot is afgelopen. Het verzoekschrift is een maand na het eindigen van de proeftijd ingediend, zodat verzoeker ontvankelijk is. Daarnaast is het, gelet op het feit dat verzoeker zich wel moest komen verantwoorden en de andere partij niet, billijk dat aan verzoeker een vergoeding wordt toegekend. Medeschuld impliceert namelijk dat er bij de andere partij sprake is van schuld. Het probleem lag naar mening van verzoeker bij de andere partij en door hem wordt ook betwist dat hij die persoon met zijn hoofd tussen de tralies heeft getrokken. De officier van justitie heeft in raadkamer in aanvulling op het eerder ingenomen standpunt opgemerkt dat bij een beleidssepot vooraf overleg zou moeten plaatsvinden met (de advocaat van) verdachte over de vraag of de verdediging voornemens is om verzoeken als bedoeld in artikel 530 en/of 533 Sv in te dienen. Als dat voornemen bestaat, kan een zaak die bij de (politie)rechter vermoedelijk tot een veroordeling zou hebben geleid beter niet via een beleidssepot worden afgedaan. Primair wordt dan ook gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt, ook ten aanzien van de ontvankelijkheid. Subsidiair heeft de officier van justitie opgemerkt dat hij zich kan vergissen in het moment waarop de termijn voor het indienen van het verzoekschrift gaat lopen, waardoor hij zich refereert aan het oordeel van de rechter ten aanzien van de ontvankelijkheid. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de zaak tegen verzoeker op 26 november 2020 voorwaardelijk is geseponeerd met een proeftijd van één jaar. Blijkens de justitiële documentatie van verzoeker is de proeftijd beëindigd op 26 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.