← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:6741

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 20/5926 tot en met 20/5929 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , belanghebbende (gemachtigde: mr. R. Zilver), en de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur). 1Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 3 maart 2020, van 4 maart 2020 en van 31 maart
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd en daarbij tot de volgende bedragen boete- en rentebeschikkingen afgegeven: voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.866, een verzuimboete van € 344 en belastingrente van € 2.396; voor het jaar 2014 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 51.414 en belastingrente van € 282; voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.259, een verzuimboete van € 369 en belastingrente van € 4.199; voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.259, een verzuimboete van € 369 en belastingrente van € 2.
  4. 1.
  5. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende deels gegrond verklaard en heeft: voor het jaar 2014 de aanslag IB/PVV verlaagd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.200, de verzuimboete van € 344 gehandhaafd en de belastingrente verminderd naar nihil; voor het jaar 2014 de aanslag Zvw verlaagd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 5.200 en de belastingrente verminderd naar nihil; voor de jaren 2015 en 2016 de aanslag IB/PVV telkens verlaagd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.200 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, de verzuimboeten van € 369 gehandhaafd en de belastingrente verminderd naar nihil. 1.
  6. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 14 april 2020, diezelfde dag door de rechtbank ontvangen per fax, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van €
  7. 1.
  8. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  9. De rechtbank heeft de beroepen op 30 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, mr. R. Zilver, verbonden aan Ausma Advocaten te Utrecht en namens de inspecteur [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraken aan partijen wordt gezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.
  10. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft twee meerderjarige kinderen, een dochter en een zoon. De moeder van de kinderen is mevrouw [naam 4] , met wie belanghebbende niet gehuwd is en van wie hij geen fiscaal partner is. [naam 4] woont in de woonwagen staande op het perceel plaatselijk bekend als de [adres 1] (ook wel [adres 1] of [adres 1] , hierna telkens [adres 1] ). Belanghebbende was eigenaar van dit perceel tot hij dit op 29 oktober 2007 aan zijn dochter verkocht. Ook de kinderen van de dochter van belanghebbende staan volgens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] . 2.
  11. Belanghebbende stond volgens de BRP tot 28 november 2001 ingeschreven op het adres [adres 2] , toen het adres van zijn ouders. Vanaf die datum stond hij ingeschreven in [land 1] . Met ingang van 8 februari 2012 heeft hij zich in [land 1] laten uitschrijven naar [land 2] . Op 5 december 2013 heeft belanghebbende zich in de BRP laten inschrijven op het adres [adres 3] . 2.
  12. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek genaamd ‘ [onderzoek] ’ heeft op 31 oktober en 1 november 2013 een doorzoeking plaatsgevonden op (onder meer) het adres [adres 3] (de doorzoeking). Tijdens de doorzoeking zijn in de woonwagen op [adres 3] onder andere aan belanghebbende gerichte poststukken (met het adres [adres 1] dan wel [adres 3] ), bankafschriften (met het adres [adres 1] ) en facturen (met het adres [adres 1] ) aangetroffen. 2.
  13. De inspecteur heeft gegevens ontvangen van de Duitse belastingautoriteiten waarin is vermeld dat belanghebbende vanaf het jaar 2000 belastingplichtig is in [land 1] voor de omzetbelasting. Hij staat vanaf 30 november 2000 ingeschreven met een ambulante handel in tapijten, klokken, huishoudelijke artikelen, textiel en bestek. Hij heeft in [land 1] omzet aangegeven, te weten € 7.462 in 2009, € 8.282 in 2010 en nihil in de jaren 2011 en
  14. Tijdens het hoorgesprek in de bezwaarfase in de procedure over (onder meer) de aan belanghebbende opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2009 tot en met 2013 (de eerdere procedure), heeft belanghebbende verklaard dat hij op jonge leeftijd is gaan venten in het buitenland en dat hij een reizend bestaan leidde waarbij hij nagenoeg het gehele jaar op campings buiten Nederland verbleef. 2.
  15. Belanghebbende is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 tot en met
  16. Hij heeft geen aangiften IB/PVV en Zvw gedaan over het jaar
  17. 3Geschil 3.
  18. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen: Was de (fiscale) woonplaats van belanghebbende gedurende de jaren 2014 tot en met 2016 in Nederland gelegen? Zijn de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016 en Zvw 2014 terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd? Daarbij speelt voor het jaar 2014 de vraag of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. In beroep bestrijdt belanghebbende niet (langer) dat de verzuimboeten terecht zijn opgelegd. Hij wil de verzuimboeten in hoger beroep nog wel kunnen bestrijden. 3.
  19. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslagen en van de boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. 4Beoordeling door de rechtbank 4.
  20. Ten aanzien van de (fiscale) woonplaats van belanghebbende 4.1.
  21. In de eerdere procedure heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2013 zijn fiscale woonplaats uitsluitend in Nederland had. Belanghebbende staat verder in de jaren 2014 tot en met 2016 onafgebroken in de Nederlandse BRP ingeschreven, zijn partner, kinderen en kleinkinderen wonen in de betreffende jaren in Nederland. 4.1.
  22. De rechtbank overweegt dat het – mede in aanmerking genomen dat de bewijslast voor het jaar 2014 moet worden omgekeerd en verzwaard (zie 4.2.2 hieronder) – op de weg van belanghebbende ligt om te doen blijken (voor het jaar 2014) dan wel gemotiveerd te betwisten (voor de jaren 2015 en 2016) dat dit anders lag. Daarin is hij niet geslaagd. Belanghebbende heeft zijn stelling, dat de relevante feiten in de jaren 2009 tot en met 2013 onvoldoende vergelijkbaar zijn met die in de jaren 2014 tot en met 2016, in het geheel niet onderbouwd, laat staan gestaafd met enig objectief controleerbaar bewijs. De rechtbank is dus van oordeel dat de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende zijn woonplaats in Nederland had. 4.
  23. Ten aanzien van de aanslagen 2014 4.2.
  24. Op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien – voor zover hier van belang – de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Artikel 8 van de AWR bepaalt dat ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte is gehouden dit te doen. 4.2.
  25. Ten aanzien van het jaar 2014 voert de inspecteur aan dat belanghebbende, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen aangiften IB/PVV en Zvw heeft ingediend en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat hij in 2014 in het buitenland woonde en dat hij daarom niet belastingplichtig was in Nederland. De rechtbank overweegt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de – uit de uitnodiging volgende – verplichting tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw over het jaar
  26. Dit leidt tot omkering van de bewijslast. Daaraan doet niet af dat belanghebbende meende dat hij niet belastingplichtig was in Nederland. Het niet doen van de gevraagde aangifte onthoudt de inspecteur de mogelijkheid om belanghebbendes standpunt omtrent diens belastingplicht adequaat te toetsen. 4.2.
  27. De inspecteur heeft in de uitspraken op bezwaar de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 verlaagd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.200 en de aanslag Zvw voor het jaar 2014 verlaagd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 5.
  28. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het hiervoor bedoelde belastbaar inkomen uit werk en woning en bijdrage-inkomen gebaseerd op een redelijke schatting. Met de inspecteur acht de rechtbank het niet onredelijk ervan uit te gaan dat belanghebbende enig belastbaar inkomen heeft genoten. Verder heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in de eerdere procedure geoordeeld dat belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2013 de volgende belastbare inkomens uit werk en woning heeft genoten: € 36.913 in 2009, € 47.847 in 2010, € 87.002 in 2011, € 143.740 in 2012 en € 38.996 in
  29. 4.2.
  30. Gelet op wat is overwogen in 4.2.2 en 4.2.3, moet belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daarin niet geslaagd. Belanghebbende heeft hiertoe in het geheel niets aangevoerd. De beroepen 2014 zijn dan ook ongegrond. 4.
  31. Ten aanzien van de aanslagen 2015 en 2016 4.3.
  32. Ook voor de jaren 2015 en 2016 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV verlaagd tot aanslagen berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 5.200 en de aanslagen Zvw tot aanslagen berekend naar bijdrage-inkomens van € 5.
  33. 4.3.
  34. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betreffende beroepen ongegrond. Belanghebbende heeft de betreffende belastbare inkomens niet betwist. Zijn beroepsgrond is enkel dat zijn fiscale woonplaats niet in Nederland is gelegen. Belanghebbende heeft geen standpunt ingenomen voor het geval – zoals hier aan de orde – waarin naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende in Nederland woont. Verder is relevant dat na de uitspraken op bezwaar sprake is van nihilaanslagen. De beroepen 2015 en 2016 zijn dan ook ongegrond. 4.
  35. Ten aanzien van de verzuimboeten 4.4.
  36. Niet (langer) is in geschil dat de verzuimboeten terecht zijn opgelegd en dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. 4.4.
  37. De rechtbank overweegt dat de verzuimboeten zijn opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 67a van de AWR en met inachtneming van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De rechtbank acht de boeten passend en geboden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven voor matiging van de boeten. Wel vormt de duur van de procedure voor de rechtbank aanleiding tot matiging van de boeten, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 6 december 2017 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn omdat de eerste boete is opgenomen in de aanslag IB/PVV
  38. De rechtbank doet uitspraak op 11 november
  39. Sinds de aankondiging van de eerste boete zijn dan (afgerond) 60 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 36 maanden. De verzuimboeten worden daarom gematigd met 20% en vastgesteld op € 275 voor de boete IB/PVV 2014 en € 295 voor elk van de boeten IB/PVV 2015 en
  40. 5Conclusie en gevolgen De beroepen zijn ongegrond. De ambtshalve matiging van de boeten is geen aanleiding voor een gegrondverklaring van de beroepen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 6Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de boetebeschikkingen betreffen; vermindert de boete IB/PVV 2014 tot een bedrag van € 275; vermindert de boeten IB/PVV 2015 en 2016 elk tot een bedrag van €
  41. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 11 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
  42. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:
  43. Vergelijk Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO
  44. Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.