← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:683

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/277 uitspraak van 11 februari 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar. Motivering De gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] (hierna: de gemachtigde), heeft een beroepschrift ingediend betreffende de bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van het pand [adres] te [plaats] . Hiervoor is belanghebbende griffierecht verschuldigd van €

  1. De griffier heeft belanghebbende daarover schriftelijk geïnformeerd. In verband met het beroep op betalingsonmacht, binnengekomen bij de rechtbank op 24 februari 2021, heeft de griffier bij brief van 1 maart 2021 gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de betalingsonmacht te onderbouwen zowel van belanghebbende zelf als voor iedere bestuurder en aanhoudeelhouder afzonderlijk. De gemachtigde heeft bij brieven van 2 maart 2021 en 15 maart 2021 informatie verstrekt. De griffier heeft vervolgens het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Bij brief van 22 maart 2021, ontvangen bij de rechtbank op 23 maart 2021, doet de gemachtigde opnieuw een beroep op betalingsonmacht. De griffier heeft de gemachtigde in een aangetekende brief van 17 april 2021 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De brief vermeldt dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen, indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de brief afgehaald op een afhaallocatie van PostNL. Bij brief van 4 mei 2021, ontvangen bij de rechtbank op 12 mei 2021, heeft de gemachtigde nogmaals een beroep gedaan op betalingsonmacht. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht gedeeltelijk is ontvangen. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Bij aangetekende brief van 28 september 2021 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van de brief aan te geven waarom het griffierecht nit binnen de gestelde termijn volledig is voldaan. Bij brief van 7 oktober 2021 heeft belanghebbende gereageerd. Belanghebbende heeft daarbij aangevoerd dat het griffierecht – in ieder geval deels – tijdig is voldaan. Belanghebbende heeft echter niets aangevoerd waarbij kan worden geoordeeld dat belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Opmerking verdient daarbij dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. De rechtbank volgt de lijn van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat rechtspersonen eveneens een beroep kunnen doen op betalingsonmacht. Bij de beoordeling of een rechtspersoon met succes een beroep kan doen op betalingsonmacht, moet niet alleen worden beoordeeld of de rechtspersoon inkomen of vermogen heeft waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden voldaan, maar ook of de aandeelhouders en/of bestuurders van de rechtspersoon in staat moeten kunnen worden geacht de financiële middelen te verstrekken om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Op basis van de door belanghebbende ingebrachte gegevens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van betalingsonmacht. Er is enkel een draagkrachtverklaring ingediend van het kantoor van de gemachtigde. Met deze verklaring kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in staat is om het griffierecht te betalen. Op de herhaalde beroepen op betalingsonmacht is terecht niet gereageerd, nu in de nota en herinneringsnota wordt vermeld dat indien een eerder beroep op betalingsonmacht is afgewezen, er niet nogmaals een beroep op gedaan kan worden. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Belanghebbende heeft verder verzocht om een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat de redelijke behandeltermijn niet is overschreden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 11 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. ECLI:NL:GHSHE:2016:
  2. Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:706 en Hoge Raad 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2020

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.