RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02/340001-21 rk-nummers: 21-019770 en 21-019771 Beslissing op het verzoekschrift ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op het verzoekschrift ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 17 december 2021, in de zaak: [verzoeker] wonende te [woonplaats] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. drs. J.P. de Man, Jagersbosstraat 8, 5240 AD Rosmalen 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: - € 260,00, € 260,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis; het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: - € 340,00 € 340,00 dan wel € 680,00 zijnde de kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift in raadkamer; de schriftelijke reactie van de officier van justitie. Op 8 april 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, verzoeker en mr. drs. J.P. de Man als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord. Namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker gedurende twee dagdelen op 13 april 2017 en 1 december 2017 onterecht van zijn vrijheid is beroofd. In beide gevallen is er geen sprake geweest van een feitelijke inverzekeringstelling. Verzoeker is echter gedurende lange tijd op het politiebureau verhoord. Gelet hierop verzoekt verzoeker een bedrag van € 260,00 voor beide dagen die verzoeker op het politiebureau heeft moeten spenderen. Ten slotte vraagt verzoeker het forfait terzake het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer ter hoogte van € 680,
- Verzoeker vraagt de rechtbank zijn verzoek toe te wijzen. De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoekschrift. Hoewel verzoeker een verzoek tot beëindiging van zijn strafzaak heeft ingediend op grond van artikel 29f Sv zal verzoeker worden gedagvaard om voor de politierechter te verschijnen. De strafzaak is aldus niet geëindigd. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden alsmede in de kosten van een raadsman. In deze doet zich het geval voor dat de strafzaak tegen verzoeker niet is geëindigd. Verzoeker heeft een dagvaarding ontvangen waarin hij wordt opgeroepen voor de politierechter te verschijnen. De rechtbank merkt daarbij op dat verzoeker tevens een verzoekschrift ex artikel 29f Sv heeft ingediend met het verzoek de tegen hem gerezen strafrechtelijke vervolging te beëindigen. Dit verzoek is bij separate beschikking onder rekestnummer 21-019769 door de rechtbank afgewezen gelet op voornoemde feiten en omstandigheden. Nu van beëindiging van de onderhavige strafzaak tegen verzoeker geen sprake is dient verzoeker niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoekschrift. 3De beslissing De rechtbank; verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift. Deze beslissing is op 22 april 2022 gegeven door mr. R.J.H. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Luijten en J. van ‘t Westende, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april
- De griffier J. van ’t Westende is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).