← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:690

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/4950 uitspraak van 11 februari 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , Duitsland, belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Betreft Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Motivering Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep tegen de kostenvergoeding in bezwaar betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] . De inspecteur heeft in beroep alsnog ingestemd met vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase, alsmede de vergoeding van proceskosten in de beroepsfase. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 648,50 voor de proceskosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: - Een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatige bijstand in de bezwaarfase van €

  1. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 269 en een wegingsfactor 1). - Een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatige bijstand in de beroepsfase van € 379,
  2. (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van 759 en een wegingsfactor 0,5) De wegingsfactor is bepaald op 0,5 gelet op het voorwerp van het beroep en het richtsnoer proceskostenvergoeding van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november
  3. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken, mede gelet op het feit dat belanghebbende heeft aangegeven in te stemmen met deze vergoedingen. Belanghebbende heeft € 49,00 aan griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De inspecteur moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb). Beslissing De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 648,
  4. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 11 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb). Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. 1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5 ECLI:NL:GHSHE:2021:3315

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.