RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda EOB-nummer: EOB-I-2021033084 rk-nummer: 22-005072 Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klaagster] geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ),wonende te [woonadres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. E. Kolokatsi, Stadsring 97, 3811 HP Amersfoort hierna te noemen: klaagster. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de stukken op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), aangaande het Europees onderzoeksbevel, waaruit blijkt dat onder klaagster meerdere grote contante geldbedragen, mobiele telefoons en andere gegevensdragers in beslag zijn genomen. het klaagschrift, ingediend op 11 maart 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv; het verweerschrift van de officier van justitie; de door de raadsvrouw van klaagster nader overgelegde stukken ter onderbouwing van het klaagschrift; de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 8 april
- Gehoord zijn de officier van justitie, klager en mr. E. Kolokatsi als gemachtigd raadsvrouw van klager. Namens klaagster is aangevoerd dat er op 14 februari 2022 een Europees arrestatie bevel tegen klaagster is uitgevaardigd door de Belgische autoriteiten wegens een verdenking deelname aan een criminele organisatie in het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen. Onder klaagster zijn, op last van de Belgische autoriteiten, meerdere contante geldbedragen in beslag genomen. Deze contanten gelden betreffen opbrengsten uit de winkel die klaagster met haar dochter bestiert. Door de inbeslagname van deze gelden dreigt voornoemde winkel in betalingsproblemen te komen met leveranciers, huurachterstand en belastingen. Om dit te onderbouwen overlegt klaagster meerdere facturen en aanslagen alsmede nadere stukken omtrent haar rekening- en bankgegevens. De hoogte van de in beslag genomen bedragen zijn aannemelijk te maken met de omzetten die klaagster uit haar winkel genereert. Klaagster bestrijdt ten zeerste dat de inbeslaggenomen geldbedragen uit enig strafbaar feit zijn verkregen. Klaagster ontkent de haar ten deel gevallen strafrechtelijke verdenking ten stelligste. Voorts zijn er een tweetal mobiele telefoons van klaagster en haar dochter in beslag genomen. Er is geen strafvorderlijk belang aanwezig om de telefoons nog langer in beslag te houden. De inhoud van de telefoons kan namelijk gekopieerd worden waardoor klaagster en haar dochter weer over de telefoons kunnen beschikken. Ten slotte verzoekt klaagster de onder haar in beslag genomen partijen sigaretten en Bulgaarse drank te retourneren, voor zoverre dat de douane deze goederen in orde heeft bevonden. Voornoemde goederen zijn door klaagster aangekocht wegens de aanstaande bruiloft van haar (jongste) dochter. Klaagster verzoekt de rechtbank onderhavig klaagschrift gegrond te verklaren en om inzage te krijgen in de betreffende stukken aangaande het Europees onderzoeksbevel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er op 16 februari 2022 een doorzoeking is geweest naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel van de Belgische onderzoeksrechter. De onderliggende stukken zijn strikt geheim. Na de doorzoeking en de inbeslagname is er verzuimd aan klaagster een kennisgeving van inbeslagname te overhandigen nu er geen tolk Bulgaars beschikbaar is. Gelet op dit verzuim is de officier van justitie van mening dat de strikte termijn van indiening aangaande een klaagschrift tegen een Europees onderzoeksbevel niet is overschreden. Klaagster is ontvankelijk in haar klaagschrift. Er is thans nog belang van strafvordering hetgeen maakt dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden. De goederen dienen nog overgedragen te worden aan de Belgische autoriteiten. Het beslag is rechtmatig gelegd op basis van een Europees onderzoeksbevel. Dat Europees onderzoeksbevel is de basis voor de inbeslagname. De Belgische onderzoeksrechter beroept zich op geheimhouding omtrent het strafrechtelijk (voor)onderzoek nu dit onderzoek nog dient aan te vangen. Er heeft nog geen onderzoek plaats kunnen vinden. Voor wat betreft de inbeslaggenomen sigaretten en drank geldt dat deze op heterdaad zijn aangetroffen en zijn overgedragen aan de FIOD. Dit deel van het beslag valt buiten het Europees onderzoeksbevel en ligt, voor wat betreft de beoordeling, bij de FIOD. 2De beoordeling De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend. De rechtbank begrijpt uit het standpunt van de officier van justitie dat de in het klaagschrift genoemde accijnsgoederen zijnde de sigaretten en de alcohol dragende dranken inmiddels door het FIOD in beslag zijn genomen c.q. over zijn gedragen. Er is geen strafrechtelijk beslag meer aan de orde voor zover het toeziet op het Europees onderzoeksbevel. In zoverre het beslag zich richt tegen deze goederen stelt de rechtbank vast dat voornoemde goederen buiten het bereik van het Europees onderzoeksbevel vallen, er geen strafrechtelijke titel tot inbeslagname aanwezig is en de goederen (inmiddels) zijn overgedragen aan de FIOD, het beslag dat is gelegd op grond van het Europees onderzoeksbevel is geëindigd. De rechtbank zal klaagster in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar beklag ten aanzien van deze goederen. Het klaagschrift ziet thans nog op het op grond van het Europees onderzoeksbevel gelegde beslag op de contante geldbedragen, de telefoons en gegevensdragers. Alvorens de rechtbank een beslissing kan nemen over de inbeslagname van voornoemde goederen dient de rechtbank te beslissen op het verzoek tot (partieel) inzage in het Europees Onderzoeksbevel en de daarbij behorende (onderliggende) stukken. Artikel 19 van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken bepaalt onder andere dat de uitvaardigende autoriteiten en de uitvoerende autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van het Europees onderzoeksbevel de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht wordt genomen. De uitvoerende autoriteiten garanderen de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het Europees onderzoeksbevel, behalve voor zover deze gegevens moeten worden vrijgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen. Artikel 23 lid 5 en 6 Sv bepaalt dat het openbaar ministerie aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken overlegt, waarvan de verdachte en andere procesdeelnemers, evenals hun raadsman of advocaat, kennis mogen nemen. Dit is niet toepassing voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad. Uit het verhandelde in raadkamer en de aan de rechtbank overgelegde stukken, waaronder het Europees onderzoeksbevel, is voldoende aannemelijk geworden dat, gelet op het verzoek van de Belgische onderzoeksrechter om geheimhouding, bezien in het licht van artikel 19 van de Richtlijn, het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien (delen van) voornoemde stukken aan (de raadsvrouw van) klager worden verstrekt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om inzage dan ook afwijzen. Dat maakt dat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift. De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag: a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De rechtbank neemt verder tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin op grond van art. 94 Sv beslag is gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, bij de beantwoording van de vraag of het strafvorderlijk belang – ook wanneer dit niet is beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijk belang – het voortduren van het beslag vordert, in beginsel verondersteld mag worden dat het recht van de lidstaat dat het Europees onderzoeksbevel heeft uitgevaardigd voorziet in een regeling die materieel rechtelijk overeenkomt met hetgeen geldt naar Nederlands recht. Dit mede gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv. De goederen waarvan klaagster de teruggave verlangt zijn in beslag genomen op de voet van art. 94 Sv ter uitvoering van een (in deze procedure aan de rechtbank overgelegd) Europees onderzoeksbevel, uitgevaardigd door de Belgische onderzoeksrechter. Uit de stukken blijkt dat er vele en grote contante geldbedragen onder klaagster in beslag zijn genomen alsmede meerdere gegevensdragers waaronder telefoons en een laptop. Klaagster wordt ervan verdacht lidmaatschap te hebben van een (grote) criminele organisatie die zich ten doel stelde de productie en handel in (soft)drugs te bedrijven. De gelden zouden met dit lidmaatschap zijn verdiend. Dit is nader onderbouwd in het Europees onderzoeksbevel. De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen in het Europees onderzoeksbevel is gerelateerd het belang van strafvordering de voortduring van het beslag op voornoemde voorwerpen vordert. Aannemelijk is dat deze voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen dan wel dat deze voorwerpen wederrechtelijk verkregen voordeel aan kunnen tonen of dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal worden bevolen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren. 3De beslissing De rechtbank; verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover het klaagschrift ziet op de inbeslaggenomen sigaretten en alcoholische dranken; wijst het verzoek tot inzage in het Europees onderzoeksbevel en de daarbij behorende (onderliggende) stukken af; verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond. Deze beslissing is op 22 april 2022 gegeven door mr. R.J.H. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Luijten en J. van ‘t Westende, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april
- De griffier J. van ’t Westende is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).