RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 21/571 en 21/633 tot en met 21/637 uitspraak van 11 januari 2022 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 24 december 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de kennisgeving beslissing op verzoek teruggave motorrijtuigenbelasting betreffende de tijdvakken: 19-12-2017 t/m 18-03-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.790111; 19-03-2018 t/m 18-06-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890024; 19-06-2018 t/m 18-09-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890053; 30-01-2018 t/m 29-04-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890012; 30-04-2018 t/m 29-07-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890042; en 30-07-2018 t/m 29-10-2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] .M.890071 Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn gemachtigde mr. drs. A.C.M. Brom, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar; verklaart zich onbevoegd zover het beroep zich richt tegen de ambtshalve beslissing die gelijktijdig is genomen met de uitspraak op bezwaar; wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af. 2Gronden 2.1. Belanghebbende is een besloten vennootschap. Haar activiteiten bestaan uit de verhuur en lease van machines, werktuigen en overige goederen. Op 13 maart 2018 is er bij belanghebbende een inval geweest. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft bij die inval motorrijtuigen (met de kentekenbewijzen) van belanghebbende in beslag genomen. De motorrijtuigen zijn in september 2018 weer vrijgegeven. Belanghebbende heeft de motorrijtuigenbelasting ter zake van de in beslag genomen motorrijtuigen tijdens de periode van de inbeslagname betaald. 2.2. Bij brieven van 30 augustus 2018 en 1 september 2018 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf dan wel verrekening van de motorrijtuigenbelasting voor de volgende motorrijtuigen (vrachtauto’s): kenteken [kenteken 1] voor de tijdvakken gelegen tussen 19 december 2017 tot en met 18 september 2018; kenteken [kenteken 2] voor de tijdvakken gelegen tussen 30 januari 2018 tot en met 29 oktober 2018. 2.3. De inspecteur heeft de verzoeken van belanghebbende bij kennisgeving van 14 juli 2020 afgewezen. De inspecteur heeft aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat de belastingplicht voortvloeit uit het houderschap, zoals bepaald in artikel 6 en artikel 7, eerste lid, sub a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: wet MRB). De inbeslagname en het daardoor feitelijk niet meer ter beschikking staan van de motorrijtuigen is geen omstandigheid die leidt tot het einde van het formele houderschap. Bovendien is volgens de inspecteur het bepaalde in paragraaf 9 van het Kaderbesluit motorrijtuigenbelasting niet van toepassing in onderhavige situatie, omdat er geen sprake is van verbeurdverklaring van de motorrijtuigen. 2.4. Belanghebbende heeft tegen de onder 2.3 genoemde kennisgeving bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 28 december 2020 heeft de inspecteur dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de uitspraak op bezwaar is in het gesloten stelsel van belastingwetgeving voor de motorrijtuigenbelasting een afwijzing van een verzoek om teruggaaf geen voor bezwaar vatbare beschikking. De inspecteur heeft na ambtshalve inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift, geen aanleiding gezien om anders te beslissen. 2.5. In beroep is in geschil of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of belanghebbende motorrijtuigenbelasting verschuldigd is over de periode waarover teruggaaf wordt verzocht. 2.6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de kennisgeving van 14 juli 2020 een niet voor bezwaar vatbare beslissing is. De inspecteur kan volgens artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ambtshalve verlenen. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de wet MRB wordt teruggaaf van belasting verleend over het nog niet verstreken deel van een lopend tijdvak op het tijdstip waarop het motorrijtuig van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd. Van die situatie is geen sprake aldus de inspecteur. De inspecteur heeft het verzoek om teruggaaf ambtshalve beoordeeld, tegen de afwijzing daarvan staat geen bezwaar open. De onjuiste rechtsmiddelverwijzing op de kennisgeving rechtvaardigt geen andere conclusie, aldus nog steeds de inspecteur. 2.7. Belanghebbende beroept zich er op dat tegen de beslissing van de inspecteur bezwaar mogelijk is op grond van artikel 8 van de wet MRB. Hij stelt daartoe dat hij door de inbeslagneming door het OM feitelijk niet meer over de motorrijtuigen beschikte en deze niet kon schorsen omdat de kentekenbewijzen ook in beslag waren genomen. Belanghebbende stelt dat de inspecteur van de inbeslagneming op de hoogte was, zodat de inspecteur op grond van artikel 8, eerste lid, sub b van de wet MRB het OM als houder van de motorrijtuigen diende aan te merken. Volgens belanghebbende volgt bovendien uit de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 oktober 2009 dat tegen een afwijzing van een verzoek om teruggaaf wel bezwaar (en beroep) mogelijk is. Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd expliciet gesteld dat zij geen bezwaar heeft gemaakt c.q. heeft willen maken tegen de betalingen van motorrijtuigenbelasting, maar een verzoek heeft willen doen om teruggave van niet verschuldigde motorrijtuigenbelasting. 2.8. Voor de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, stelt de rechtbank voorop dat de inspecteur het verzoek om teruggaaf ambtshalve heeft beoordeeld en heeft afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht en op goede gronden geoordeeld dat tegen die beslissing van de inspecteur geen bezwaar en beroep openstaat. 2.9. De rechtbank kan het beroep van belanghebbende op artikel 8 van de wet MRB niet volgen. Op grond van dit wetsartikel kan de inspecteur een motorrijtuig welke feitelijk en niet geheel voorbijgaand aan een ander ter beschikking staat dan degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld, die ander ofwel op gezamenlijk verzoek (eerste lid, sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.