RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 10058065 CV EXPL 22-2630 vonnis d.d. 19 oktober 2022 inzake de besloten vennootschap Debtt B.V., gevestigd te Dronten, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: “Debtt”, gemachtigde: Karreman Gerechtsdeurwaarders en Juristen, tegen de besloten vennootschap SKC Invest B.V., handelend onder de naam Catcher Group, gevestigd te (4811 CA) Breda, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, hierna te noemen: “Catcher Group”, gemachtigde: [gemachtigde gedaagde] . 1Het verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 8 augustus 2022 met producties; de incidentele conclusie inhoudende het verweer van onbevoegdheid; de conclusie van antwoord in het incident. 2Het geschil In de hoofdzaak 2.
- Debtt vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Catcher Group te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Debtt te betalen de som van € 1.771,51 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.415,16 vanaf 15 juli 2022 tot aan de dag van algehele voldoening; Catcher Group te veroordelen om de lopende termijnen te voldoen tot aan beëindiging van de overeenkomst; Catcher Group te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder te begrijpen een bedrag voor salaris en noodzakelijke verschotten, zoals vermeld in de kostenstaat van de dagvaarding. 2.
- Catcher Group voert (nog) geen inhoudelijk verweer. In het incident 2.
- Catcher Group heeft de kantonrechter verzocht zich (relatief) onbevoegd te verklaren. Gesteld wordt dat partijen een forumkeuzebeding ex artikel 108 lid 1 Rechtsvordering (Rv) zijn overeengekomen in artikel 24 lid 2 van de algemene voorwaarden waarin is bepaald dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad bevoegd is verklaard. Catcher Group concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van Debtt in de proceskosten. 2.
- Debtt concludeert dat de rechtbank Zeeland – West-Brabant, locatie Breda wel degelijk bevoegd is van deze zaak kennis te nemen. 3De beoordeling In het incident 3.
- Gelet op het beloop van de vordering (onder de € 25.000,00) en de woonplaats van Catcher Group (Breda) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, civiele kantonzaken, locatie Breda in beginsel de bevoegde rechter op grond van de artikelen 93 aanhef en onder a en 99 lid 1 Rv. 3.
- Catcher Group beroept zich op de forumkeuze zoals opgenomen in artikel 24 lid 2 van de algemene voorwaarden. In het midden latend de vraag of partijen de algemene voorwaarden rechtsgeldig zijn overeengekomen, is de kantonrechter van oordeel dat de forumkeuze op grond van artikel 108 lid 2 Rv in deze zaak geen gevolg heeft. De vordering beloopt immers minder dan € 25.000,00, de forumkeuze is niet aangegaan na het ontstaan van het geschil en er is ook geen sprake van de situatie dat een werknemer, een partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel een huurder zich tot de aangewezen rechter wendt. Daarom is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, cluster 1 civiele kantonzaken, locatie Breda op grond van de hoofdregel(s) van de artikelen 93 aanhef en onder a en 99 lid 1 Rv de bevoegde rechter in deze zaak. 3.
- Catcher Group zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. In de hoofdzaak 3.
- Gelet op de beoordeling in het incident zal de zaak worden verwezen naar na te melden terechtzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord door Catcher Group. 3.
- Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing De kantonrechter: In het incident wijst de vordering van Catcher Group af; veroordeelt Catcher Group in de kosten van dit geding, aan de zijde van Debtt begroot op € 75,00 aan salaris voor de gemachtigde van Debtt; verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; In de hoofdzaak verwijst de zaak naar de rolzitting woensdag 9 november 2022 te 09.00 uur voor conclusie van antwoord door Catcher Group; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2022.