RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-327218-20 vonnis van de meervoudige kamer van 29 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. Bals, advocaat te Kloetinge 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 november 2022, waarbij de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 25 september 2018 tot en met 14 juni 2019 met anderen ter verkrijging van een hypotheek, gebruik heeft gemaakt van valse documenten. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Verdachte wist dat [medeverdachte] onvoldoende inkomen genereerde om een hypotheek te verkrijgen maar heeft desondanks wel stukken ondertekend, zou moeten liegen als er vragen zouden worden gesteld en zegt ook niets op het moment dat zij weet dat de stukken vals zijn. Er is in ieder geval sprake geweest van voorwaardelijk opzet. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit. Verdachte heeft bij de notaris documenten getekend, maar op dat moment wordt de bank niet meer bewogen tot afgifte van een hypotheek en kan er geen sprake meer van oplichting zijn. De verdediging verwijst hierbij onder meer naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2016:5262). Dat verdachte voorafgaande aan het bezoek bij de notaris een formulier heeft ondertekend dat verband hield met de woning, terwijl zij geen salarisstroken of een werkgeversverklaring had gezien, maakt niet dat zij kennis had van de valse documenten en daarmee opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, mee heeft gewerkt aan het verkrijgen van een hypothecaire lening. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat medeverdachte [medeverdachte] ter verkrijging van een hypotheek in strijd met de waarheid loonspecificaties en werkgeversverklaringen heeft opgemaakt. Op de bankrekening van verdachte zijn in de periode van mei 2018 tot en met oktober 2018 bijschrijvingen van geldbedragen te zien die loonbetalingen zouden betreffen, terwijl dit in werkelijkheid geen loonbetalingen waren. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte op 17 oktober 2018 de hypotheekofferte heeft getekend. Deze heeft zij getekend, zo verklaarde verdachte ter zitting, omdat [medeverdachte] haar dit vroeg. Zij wist dat het huis ook op haar naam moest komen te staan, omdat haar echtgenoot te weinig inkomen had om de woning alleen te kunnen kopen. Zij wist dat ze een of meer documenten tekende die te maken hadden met de aankoop van een woning. Voorafgaande aan het bezoek bij de notaris heeft [medeverdachte] verdachte geïnstrueerd wat ze moest zeggen bij eventuele vragen over werk. Zij moest onder meer zeggen dat zij werkte, terwijl zij wist dat zij niet werkte. Deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Verdachte heeft, ook al is niet uitgesloten, dat zij de voor de aanvraag van de hypothecaire lening gebruikte werkgeversverklaringen en salarisstroken niet kende, minst genomen het voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de valse documenten. Door geen afstand te nemen, maar zonder vragen te doen wat [medeverdachte] haar zei en vroeg, heeft zij, willens en wetens, de aanmerkelijke kans aanvaard dat er gebruik werd gemaakt van valse documenten ter verkrijging van een hypothecaire lening op haar naam. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 25 september 2018 tot en met 4 juni 2019 te Nieuwkuijk en/of Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse documenten, te weten:- een salarisspecificatie/loonstrook van september 2018 en een werkgeversverklaring, (beide) van het [bedrijf 1] , gevestigd op het [adres bedrijf 1] , en- een salarisspecificatie/loonstrook van september 2018 en/een werkgeversverklaring, (beide) van het [bedrijf 2] , gevestigd op het [adres bedrijf 2] , zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, terwijl zij en haar mededader wisten althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat voornoemde documenten bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande dat gebruikmaken uit het overleggen van voornoemde documenten aan het bedrijf [bank] , voor het verkrijgen van een hypotheek voor de woning aan de [adres woning] ,en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:- verdachte en haar medeverdachte (ten tijde van de datum zoals vermeld op desalarisspecificaties/loontroken niet werkzaam waren en zijn geweest bij de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en- de betalingen die verdachte en haar mededader hebben genoten van debedrijf(ven) [bedrijf 1] [bedrijf 2] niet zijn geweest in verband met de door verdachten bij de voornoemde bedrijven verrichtte werkzaamheden indienstverband; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich samen met haar echtgenoot en medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte ter verkrijging van een hypothecaire lening van € 500.000,-. Hiermee heeft zij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Verdachte heeft bij haar handelen geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving. Ogenschijnlijk zonder ergens bij stil te staan, heeft verdachte hiermee een behoorlijk hoge hypothecaire lening verkregen die zonder de fraude niet zou zijn verstrekt. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Bij de strafbepaling heeft de rechtbank rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte, en haar beperktere rol. Haar echtgenoot heeft het voortouw genomen bij de fraude maar verdachte had hem niet haar medewerking moeten verlenen. Alles in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 november 2022.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.