RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-305152-19 vonnis van de meervoudige kamer van 30 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 november 2022, waarbij de officier van justitie, mr. G. Oosterveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 28 mei 2014 tot en met 10 oktober 2019, samen of alleen, geldbedragen van in totaal ruim € 80.000,--, personenauto's, een woning, aanbetalingen voor onroerend goed in Turkije en de uitbetaling van een bouwdepot heeft witgewassen, subsidiair ten laste gelegd als eenvoudig witwassen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 10 oktober 2019. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van het witwassen en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Uit het dossier blijkt dat verdachte en de medeverdachten wisten dat de herkomst van de gelden en de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat verdachte wist van de aanbetalingen van onroerend goed in Turkije (gedachtestreepje 5). 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig waren uit misdrijf. Er is dan ook geen sprake geweest van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij witwassen. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte in de woning aan het [adres] te Vlissingen heeft gewoond. Haar zus [zus verdachte] was eigenaar van de woning. Het moment dat de hypotheek werd verkregen door [zus verdachte] en het bouwdepot aan haar werd uitbetaald was verdachte minderjarig. Een groot deel van de periode die verdachte daar woonachtig was, was zij ook nog minderjarig. De officier van justitie heeft ter zitting de tenlastelegging gewijzigd, in die zin dat de periode ingaat op het moment dat verdachte meerderjarig werd, waardoor het witwassen van de woning en het bouwdepot niet (meer) binnen de bij verdachte ten laste gelegde periode vallen. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen kan op basis van het dossier enkel worden vastgesteld dat verdachte vanaf haar rekening éénmaal duizend euro heeft overgemaakt naar de rekening van haar zus [zus verdachte] . Dit betrof geen contante storting. Het dossier biedt verder geen aanknopingspunten voor enige betrokkenheid van deze verdachte bij de overige tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen. Voornoemde omstandigheden zijn onvoldoende om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte, al dan niet samen met anderen, redelijkerwijs moest vermoeden dat de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren en dus heeft witgewassen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, mr. J.C. Gillesse en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 november 2022.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.