RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/995503-15 vonnis van de meervoudige kamer van 5 december 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] raadsman mr. A. van Stigt, advocaat te Rotterdam 1Onderzoek van de zaak De zaak is behandeld op de zitting van 21 november 2022, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk asbest(vezels) op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor personen te duchten was, dan wel dat dat aan haar schuld te wijten is geweest dan wel dat zij met betrekking tot afvalstoffen handelingen heeft verricht of nagelaten waarvan zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, dan wel dat zij, al dan niet opzettelijk, zich heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen door afgifte aan een ander. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. 3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. 3.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Aangevoerd is dat gesprekken met de verdediging hebben geleid tot een afspraak, inhoudende dat, als de rechtbank het standpunt van het openbaar ministerie met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid volgt, verdachte een donatie doet van € 5.000,00 aan het Instituut Asbestslachtoffers, die zal worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Verdachte en het openbaar ministerie zullen afzien van hoger beroep en verdachte zal afstand doen van het recht een verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in te dienen tot vergoeding van de advocaatkosten. 3.1.2 Het standpunt van de verdediging Aangevoerd is dat de redelijke termijn in deze zaak ruimschoots is overschreden. De verdediging heeft het eindproces-verbaal op 20 november 2014 ontvangen. Bij brief van 17 februari 2017 heeft de verdediging het openbaar ministerie verzocht welke afdoeningsbeslissing geïndiceerd zou zijn omdat een sepot naar de opvatting van de verdediging op zijn plaats zou zijn. De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er geen ruimte was voor een buitengerechtelijke afdoening. Tijdens de zitting van 22 november 2021 is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie eveneens aan de orde gesteld. De verdediging heeft zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de zaak op een andere wijze diende te worden afgedaan dan via een behandeling ter terechtzitting en verdachte is bereid een bedrag van € 5.000,00 te doneren aan het Instituut Asbest Slachtoffers. Ten slotte is aangevoerd dat verdachte afziet van haar rechten op hoger beroep en een verzoek ex artikel 530 Sv. Verzocht is de zaak van verdachte af te doen overeenkomstig de tussen de procespartijen gemaakte afspraken. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank Om te komen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet er sprake zijn van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten zoals die uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken. Op 24 januari 2014 is door een vertegenwoordiger van [bedrijf] B.V. een melding gedaan bij de Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de mogelijke aanwezigheid van asbest bij het ontmantelen van acetyleenflessen. Deze melding heeft geleid tot een onderzoek door de Inspectie. Naar aanleiding van de bevindingen van de Inspectie werd door het openbaar ministerie besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Dit heeft geleid tot onder meer het verrichten van zoekingen, het horen van (vertegenwoordigers van) verdachten en het horen van getuigen. Verdachten en de vertegenwoordigers van de betrokken rechtspersonen in het onderzoek Kiezel zijn gehoord in april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.