RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/995504-15 vonnis van de meervoudige kamer van 5 december 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1958 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg 1Onderzoek van de zaak De zaak is behandeld op de zitting van 21 november 2022, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat het aan de schuld van v.o.f. [bedrijf 1] en anderen te wijten is dat asbest op en/of in de bodem of in de lucht is gebracht terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor personen te duchten was, dan wel dat v.o.f. [bedrijf 1] al dan niet opzettelijk bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht terwijl zij redelijkerwijs had kunnen weten dat nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan door in een bedrijf acetyleencilinders te ontmantelen of te bewerken, dan wel doordat zij die acetyleencilinders heeft afgegeven aan een ander ter ontmanteling terwijl die ander niet bevoegd was die afvalstoffen in te zamelen, en dat verdachte opdracht daartoe heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. 3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. 3.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Aangevoerd is dat gesprekken met de verdediging hebben geleid tot een afspraak, inhoudende dat, als de rechtbank het standpunt van het openbaar ministerie met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid volgt, de medeverdachte v.o.f. [bedrijf 1] een donatie doet van € 2.500,00 aan het Instituut Asbestslachtoffers, die zal worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Verdachte en het openbaar ministerie zullen afzien van hoger beroep en verdachte zal afstand doen van het recht een verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in te dienen tot vergoeding van de advocaatkosten. 3.1.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich aangesloten bij het verweer van de medeverdachten [bedrijf 2] B.V. en [naam] , inhoudende, kort samengevat, dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn, te weten een overschrijding van 68 maanden, die niet is veroorzaakt door de complexiteit van de zaak en ook niet aan de verdediging is toe te rekenen. De officier van justitie heeft niet gereageerd op verzoeken van de verdediging om tot een buitengerechtelijke afdoening van de zaak te komen. De zorgvuldigheid die redelijkerwijs verwacht mag worden van een overheidsinstantie die zoveel macht op de burgers kan uitoefenen als het openbaar ministerie, is in deze zaak ver te zoeken. Pas na diverse verzoeken van de verdediging is een reactie van de officier van justitie gekomen waarna er uiteindelijk een afdoeningsvoorstel op tafel is gekomen. Door deze combinatie van factoren, te weten de forse overschrijding van de redelijke termijn, een onbegrijpelijke vervolgingsbeslissing door [verdachte] wel te vervolgen en de betrokken natuurlijke personen bij [bedrijf 4] niet, de weigering die beslissing uit te leggen en het niet reageren op verzoeken van de verdediging om te komen tot een redelijke afdoening, kan geconcludeerd worden dat hiermee is voldaan aan de eisen van niet- ontvankelijkheid. Verder is aangevoerd dat verdachte al gedurende hele lang tijd in de onzekerheid verkeert over de afloop van zijn strafzaak en dat de voorlopige hechtenis en de huiszoeking een grote impact op hem hebben. Deze hebben geleid tot medische klachten. Ook verdachte is zelf blootgesteld aan asbest. Ten slotte is aangevoerd dat verdachte volledig kan instemmen met de gemaakte procesafspraken die vrijwillig tot stand zijn gekomen. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank Om te komen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet er sprake zijn van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten zoals die uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken. Op 24 januari 2014 is door een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] B.V. een melding gedaan bij de Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de mogelijke aanwezigheid van asbest bij het ontmantelen van acetyleenflessen. Deze melding heeft geleid tot een onderzoek door de Inspectie. Naar aanleiding van de bevindingen van de Inspectie werd door het openbaar ministerie besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Dit heeft geleid tot onder meer het verrichten van zoekingen, het horen van (vertegenwoordigers van) verdachten en het horen van getuigen. Verdachten en de vertegenwoordigers van de betrokken rechtspersonen in het onderzoek Kiezel zijn gehoord in april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.