RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/810593-18 vonnis van de meervoudige kamer van 15 februari 2022 in de strafzaak tegen [Verdachte] , geboren op [Geboortedag] 1999 te [Geboorteplaats] , wonende te [Adres] , raadsman mr. B. van de Luitgaarden, advocaat te Roosendaal. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 februari
- Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. K. Simpelaar, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van een crossmotor. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Hij voert daartoe het volgende aan. Twee verbalisanten hebben verdachte twee dagen na de diefstal zien rijden op de gestolen crossmotor van aangever [Aangever] . Op het moment dat verdachte de verbalisanten zag, heeft hij de crossmotor laten vallen en is hij weggerend. Uit het feit dat verdachte is gevlucht toen hij de verbalisanten zag, valt af te leiden dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de crossmotor waarop hij reed van diefstal afkomstig was, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor opzet- dan wel schuldheling, omdat uit het dossier niet valt af te leiden dat de persoon die op de crossmotor reed, op het moment dat hij de crossmotor verkreeg, wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was. Verdachte dient daarom voor het tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat [Aangever] aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn crossmotor op 10 mei 2018 omstreeks 20.30u te Breda. Twee dagen later, op 12 mei 2018 omstreeks 23.10 uur, hebben twee verbalisanten verdachte in Breda zien rijden op de gestolen crossmotor van [Aangever] . Op het moment dat verdachte de verbalisanten zag, heeft hij de crossmotor losgelaten en is hij weggerend. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit moet onder meer bewezen verklaard kunnen worden dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de crossmotor wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze crossmotor van misdrijf afkomstig was. Het dossier bevat een dergelijk bewijs niet. Het enkele feit dat verdachte op 12 mei 2018 is gevlucht op het moment dat hij de verbalisanten zag, is daarvoor geen bewijs. Het geeft immers geen informatie over het tijdstip waarop verdachte de crossmotor verkreeg, en ook niet over de omstandigheden waaronder hij die crossmotor verkreeg. Los daarvan kan het wegvluchten na de verkrijging van de crossmotor ook andere redenen hebben gehad dan dat hij op dat moment had moeten weten dat de crossmotor gestolen was. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 februari
- Mr. Janssen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. 6Bijlage I De tenlastelegging hij op of omstreeks 12 mei 2018 te Breda een crossmotor (Kawasaki KXF 250, groen van kleur, toebehorende aan [Aangever] , in elk geval enig goed heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden hebben/krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; Art 416 lid 1 ahf/onder a Art 417bis lid 1 ahf/onder a Wetboek van Strafrecht