← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:7432

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-061509-21 vonnis van de meervoudige kamer van 8 december 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1984, te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2022, waarbij de officieren van justitie, mr. I.M.H. Masselink en mr. J.F.M. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: samen met anderen heeft geprobeerd een of meer personen af te persen dan wel hen heeft bedreigd of hen heeft gedwongen iets te doen; feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gerequireerd tot vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van het tenlastegelegde feit. Hoewel verdachte is meegereden met de medeverdachten en bij de deur stond van de vrouw van [naam] , kan uit de bewijsmiddelen in het dossier niet worden herleid dat hij op de hoogte was van de reden van het bezoek in Oudenbosch. Er zijn dus ook onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden om aan te tonen dat hij opzettelijk een bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde. Daarom dient vrijspraak te volgen. Dat geldt ook voor feit 2 nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is, evenals de officieren van justitie, van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging betoogd dat verdachte geen enkele wetenschap had van het strafbare feit. Verdachte heeft bij zijn inhoudelijke verklaring al aangegeven dat hij zich in Oudenbosch niet prettig voelde bij de daar ontstane situatie. Ook dat duidt erop dat hij op voorhand niet wist wat de bedoeling was. Verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1: De rechtbank is - met de officieren van justitie en de verdediging - van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van wat de bedoeling was van de medeverdachte(n). Verdachte heeft met zijn aanwezigheid ten tijde van het feit, mede gelet op zijn postuur, wel een bijdrage geleverd aan het ontstaan van een intimiderende situatie en uit camerabeelden is af te leiden dat verdachte mogelijk op de uitkijk stond. Daar komt bij dat uit de berichten op zijn telefoon kan worden afgeleid dat verdachte wist dat zijn medeverdachte(n) criminelen waren. Er is echter geen bewijs dat verdachte op dat moment ook het op één van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven gerichte opzet had. Bovendien is niet gebleken van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat gesproken kan worden van medeplegen. Om die redenen dient verdachte van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Feit 2: De rechtbank is - met de officieren van justitie en de verdediging - van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deel uit heeft gemaakt van een criminele organisatie, zoals is ten laste gelegd. Daarom dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten; Voorlopige hechtenis - heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop en B. Gelens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 december 2022. Mr. Hoekstra, mr. Collombon en griffier Gelens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.