← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:7512

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda rk-nummer: 21-017495 Beslissing op het verzetschrift ex artikel 6:4:5 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op het verzetschrift ex artikel 6:4:5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingekomen ter griffie op 15 november 2021 in de zaak: [verzoeker] geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] wonende op het [woonadres] hierna ook: veroordeelde. 1Procesgang Het verzetschrift is op 15 november 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 10 mei 2022 mevrouw [naam] van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), de officier van justitie mr. K. Pieters en veroordeelde in openbare raadkamer gehoord. De medewerker van het CJIB is telefonisch gehoord. 2Inhoud van het verzetschrift Het verzetschrift is gericht tegen het dwangbevel van 10 november 2021, waarin wordt bevolen dat een verschuldigd bedrag van € 388,19 op veroordeelde wordt verhaald. Veroordeelde heeft in zijn verzetschrift te kennen gegeven dat hij het dwangbevel op 3 november 2021 heeft ontvangen. Hij heeft echter gesteld dat hij voor deze datum nooit iets heeft mogen ontvangen of heeft mogen horen van het CJIB. In raadkamer heeft veroordeelde aangevoerd dat in staat is het bedrag te betalen, maar dat hij hiervoor nimmer een factuur heeft ontvangen, waardoor hij niet weet naar welk rekeningnummer en onder vermelding van welk nummer hij het bedrag dient over te maken. Hij heeft een bedrag van € 300,00 gewoon op zijn bankrekening staan. Veroordeelde heeft daarbij aangevoerd dat hij het niet eens is met de verhogingen op het oorspronkelijk opgelegde bedrag. 3 Standpunt van het Centraal Justitieel Incasso Bureau en de officier van justitie Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van veroordeelde moet worden afgewezen. Tijdens de openbare raadkamer heeft het CJIB aangegeven bij haar ingenomen standpunt te blijven. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat hij het standpunt van het CJIB deelt en dat in raadkamer door veroordeelde geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit moet worden afgeleid dat hij de poststukken van het CJIB niet heeft (kunnen) ontvangen. 4Beoordeling Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2021 is aan veroordeelde een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 300,00 opgelegd. Veroordeelde heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis, zodat dit op 26 maart 2021 onherroepelijk is geworden. Op 12 april 2021 heeft het CJIB een eerste aanschrijving aan veroordeelde verzonden. Omdat de geldboete niet is voldaan, is deze van rechtswege verhoogd en is aan veroordeelde op 30 mei 2021 een eerste aanmaning verzonden. Omdat het bedrag niet is voldaan, is het openstaande bedrag verder verhoogd. Op 23 juli 2021 is een tweede aanmaning aan veroordeelde verzonden. Van deze correspondentie is niks onbestelbaar retour gekomen. Aangezien het bedrag nog immer niet werd voldaan, is aan veroordeelde op 15 september 2021 een herinneringsbrief verzonden, waarin hij is gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet voldoen van de vordering. Alle aanschrijvingen zijn verzonden naar het adres waar veroordeelde ten tijde van het versturen van de poststukken stond ingeschreven bij de Basisregistratie Personen (hierna: BRP), te weten [adres] . Op 10 november 2021 is een dwangbevel uitgevaardigd, betrekking hebbend op de door veroordeelde nog immer niet betaalde boete, inclusief de verhogingen van rechtswege. Krachtens artikel 6:4:5 lid 3 Sv kan een veroordeelde verzet doen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, inhoudende het verhaal op diens goederen. Het verzet wordt gedaan bij een bezwaarschrift dat vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag van inbeslagneming, dient te worden ingediend. De verzetmogelijkheid is gegeven om op te kunnen komen tegen de wijze van verhaal. In dit geval is (nog) geen sprake van het in beslag nemen van goederen teneinde daarop het recht van verhaal uit te oefenen omdat de boete niet is betaald. Volgens vaste rechtspraak kan veroordeelde in zijn verzet worden ontvangen hoewel nog geen sprake is van daadwerkelijke inbeslagneming. De rechtbank is van oordeel dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd, nu veroordeelde tot vier keer toe in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde bedrag te betalen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat de poststukken van het CJIB hem niet hebben bereikt. Alle aanschrijvingen zijn verzonden naar het BRP-adres van veroordeelde. Bovendien was veroordeelde op de hoogte van het vonnis en had hij, in ieder geval na de vorige behandeling in raadkamer, zelf contact kunnen opnemen met het CJIB. Veroordeelde heeft bovendien in raadkamer te kennen gegeven dat hij het verschuldigde bedrag zo kan overmaken. Dat veroordeelde in raadkamer aangeeft het niet eens te zijn met de verhogingen van de oorspronkelijke boete, is in deze procedure niet relevant. Hij had de gelegenheid hoger beroep tegen het vonnis in te stellen en heeft dat achterwege gelaten. Aan de rechtbank ligt (enkel) ter beoordeling voor de vraag of het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd. De rechtbank zal het verzetschrift ongegrond verklaren. 5De beslissing De rechtbank verklaart het verzetschrift ongegrond. Deze beslissing is op 27 mei 2022 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2022. De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.