RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-196887-22 vonnis van de meervoudige kamer van 1 december 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , Geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht, raadsvrouw mr. A.C.M. Tönis, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 november 2022, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte brand heeft gesticht in een woning in Tilburg. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen is ontstaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend en er is door de verdediging geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB4R022064 van de districtsrecherche Hart van Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met
- De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 november 2022; - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 augustus 2022, pagina 10 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal; - het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 4 augustus 2022, pagina 16 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal; - het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 10 augustus 2022, pagina 68 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal; De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 augustus 2022 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [adres] door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, ten gevolge waarvan gedeeltes van die woning en zich in voornoemde woning bevindende goederen, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de overige zich in voornoemde woning bevindende goederen en de belendende woningen en levensgevaar voor de overige zich in voornoemde woning bevindende personen of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de overige zich in voornoemde woning bevindende personen te duchten was. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging benadrukt de noodzaak van een klinische behandeling. Verdachte is bereid zich aan het grote aantal ingrijpende voorwaarden te houden. De verdediging bepleit te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 7 of 8 maanden met een groot voorwaardelijk deel, zodat verdachte direct vanuit detentie klinisch kan worden opgenomen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich op 4 augustus 2022 schuldig gemaakt aan brandstichting in een rijtjeswoning met meerdere kamers. Voor de rechtbank staat vast dat verdachte in overwegede mate vanuit boosheid heeft gehandeld. Op het moment dat hij hoorde dat zijn traject bij de [naam stichting] zou worden gestopt en hij de woning zou moeten verlaten als hij niet zou betalen, heeft hij gezegd dat hij de boel in de fik zou steken. Kort daarna heeft hij in zijn kamer met een aansteker zijn dekbed in brand gestoken en vervolgens heeft hij zijn deur op slot gedaan en de woning verlaten. Hierdoor is een uitslaande brand ontstaan en is de kamer volledig uitgebrand. De brand stond op het punt om over te slaan naar de rest van het gebouw. Tijdens de brand waren twee bewoners van andere kamers aanwezig. Dit betekent dat door het handelen van verdachte niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Verdachte wist in ieder geval van één van de twee personen dat hij in de woning aanwezig was, omdat deze persoon notabene de deur voor verdachte had geopend. De bewoners hebben geluk gehad dat de rookmelder in werking was, waardoor zij kort nadat de brand is ontstaan de woning hebben kunnen verlaten. Niet alleen voor de bewoners van het pand, maar ook voor de maatschappij in het algemeen geldt dat brandstichting gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt, vooral nu de brandstichting heeft plaatsgevonden in een middenwoning in een rij met meerdere woningen. De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor brandstichting. Ook volgt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 7 november
- Hieruit blijkt dat verdachte een belast verleden heeft en kampt met onbehandelde problemen op het gebied van psychosociaal functioneren. Verdachte beschikt over onvoldoende adequate copingvaardigheden en lijkt niet in staat om tijdig hulp te vragen. Er bestaat instabiliteit op alle leefgebieden. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Verdachte kan de ernst van zijn gedrag en de gevolgen voor zichzelf en anderen onvoldoende inschatten. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waarbij klinische behandeling gericht op traumabehandeling noodzakelijk is. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken. Brandstichting is een zeer ernstig feit en als reactie op dit soort feiten past in beginsel dan ook alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank houdt er rekening mee dat in dit geval de brand is gesticht in een woning en dat daardoor niet enkel gevaar voor goederen maar ook voor personen is ontstaan. Bovendien bestaan bij de rechtbank, mede gelet op hetgeen vermeld is in het reclasseringsadvies, grote zorgen over verdachte. Uit het advies blijkt de noodzaak van een hulpverleningstraject in het kader van bijzondere voorwaarden. Om dit mogelijk te maken, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Bovendien wordt met dit voorwaardelijk strafdeel beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Met betrekking tot de hoogte van de straf is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is. Wel is zij van oordeel dat een langere proeftijd noodzakelijk is om verdachte meer tijd te geven het hulpverleningstraject te laten slagen. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7Het beslag 7.1 De teruggave aan verdachte De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien het voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden: * dat verdachte zich 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Rompertsebaan 12, 5231 GS ‘s-Hertogenbosch. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * verdachte is door de reclassering aangemeld voor een forensische klinische opname ten behoeve van zijn traumabehandeling. Indien geïndiceerd door IFZ, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de behandelaar en reclassering nodig vinden. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; * dat verdachte zich laat behandelen door GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; * dat verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; * dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden; * dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
- STK Mes (Omschrijving: G2490016, zwart). Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 december 2022.