RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/5320 WIA uitspraak van 15 december 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker, gemachtigde: mr. F.M. Meis, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 oktober 2019 (bestreden besluit I) van het UWV over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In beroep heeft het UWV bestreden besluit I met het besluit van 14 mei 2020 (bestreden besluit II) gewijzigd. Het beroep is mede gericht tegen dit besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september
- Eiser is verschenen, (online) bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B.A. van Grinsven. Op de zitting is het onderzoek gesloten. Op 15 oktober 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een deskundige te raadplegen. De deskundige heeft op 14 maart 2022 gerapporteerd. Bij besluit van 10 juni 2022 heeft het UWV de bestreden besluiten ingetrokken en aan eiser met ingang van 12 juli 2019 een IVA-uitkering toegekend. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van de door hem ingeschakelde deskundigen. Het UWV heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 10 juni 2022 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.897,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). De kosten van het rapport van de door eiser ingeschakelde deskundigen, verzekeringsarts [verzekeringsarts] en arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] (van het Expertise Instituut), van 20 december 2019 en van de aanvullende rapportage van 2 juli 2020 komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu die kosten – ook na verzoek van de rechtbank tot opgave daarvan van 17 oktober 2022 en (telefonisch) rappel op 14 november 2022 – niet zijn onderbouwd.
- De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 47,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.897,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 15 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.