RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/3444 WOB uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2022 in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres gemachtigde: mr. B.F.J. Bollen, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop Op 16 juli 2020 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen twee besluiten van het college, inhoudende ambtshalve beschikkingen tot vaststelling van de ernst en spoed van bodemverontreiniging voor de locatie [adres] te [plaatsnaam] . In het bezwaarschrift heeft eiseres, met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), het college verzocht om een aantal stukken toe te sturen, teneinde de gronden van het bezwaarschrift te kunnen aanvullen. Op 11 september 2020 heeft het college een aantal documenten per e-mail aan eiseres toegezonden. In het besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het de e-mail van 11 september 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 28 januari 2022. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiseres en namens het college: [naam vertegenwoordiger verweerder] . Overwegingen 1. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift van 16 juli 2020 het college verzocht om alle stukken (beleidsvisies, e-mailberichten, correspondentie, onderzoeksrapporten, processtukken) toe te sturen met betrekking tot de veroorzaking en de veroorzaker van de verontreiniging, alsmede de stukken die betrekking hebben op vorige eigenaars van het perceel. Daarbij is het volgende vermeld: “Voor wat betreft het verzoek tot verstrekking van de informatie/gegevens wordt dezerzijds een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur en de daarin gestelde termijnen.” Het college heeft bij beveiligde e-mail van 11 september 2020 stukken verstrekt aan de gemachtigde van eiseres. Eiseres heeft bij brief van 6 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen de e-mail van 11 september 2020, wat volgens eiseres een besluit is op haar aanvraag op grond van de Wob. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de e-mail van 11 september 2020 niet een voor bezwaar vatbaar besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft daarbij toegelicht dat zij het informatieverzoek van eiseres niet heeft opgevat als een Wob-verzoek, maar als een verzoek om kennisneming van informatie in het kader van een bezwaar- of beroepsprocedure. 2. De rechtbank dient te beoordelen of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dat verband dient eerst de vraag te worden beantwoord of het verzoek van 16 juli 2020 tot toezending van stukken terecht niet is opgevat als een verzoek om openbaarmaking van overheidsinformatie als bedoeld in de Wob. 3. Eiseres voert aan dat de gevraagde informatie gaat over een bestuurlijke aangelegenheid en dat, alleen om die reden al, sprake is van een Wob-verzoek. Daarbij merkt eiseres op dat zij in de brief van 16 juli 2020 een expliciet beroep heeft gedaan op de Wob en de daarin gestelde termijnen. Eiseres voelt zich in dat verband gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1476. Daarbij komt dat, aldus de AbRS, ingeval een indiener een beroep op de Wob heeft gedaan en het bestuursorgaan van oordeel is dat er geen sprake is van een Wob-verzoek, het dit besluit deugdelijk dient te motiveren. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op dit punt tekort schiet. 4. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres aangehaalde uitspraak van de AbRS een vergelijkbare situatie beschrijft. In die procedure ging het om een situatie waarbij de appellant tijdens een hoorzitting in het kader van een bezwaarschrift een brief met een informatieverzoek heeft ingediend. In de uitspraak is – onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268 – overwogen dat hoofdregel is dat, wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Voorts is overwogen dat het enkele feit, dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, niet betekent dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.