RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 19/2314 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2022 op het verzet van [belanghebbende] , te [woonplaats] belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers). Procesverloop Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst van 5 april 2019 beroep ingesteld. Het beroep is, gelijktijdig met andere zaken, behandeld op de zitting van 23 februari 2022. Belanghebbende heeft het beroep ter zitting ingetrokken en daarbij verzocht om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op basis van de forfaitaire bedragen. Belanghebbende geeft daarbij aan dat advocaatkosten zijn gemaakt. Bij uitspraak van 6 april 2022 heeft de rechtbank beslist op het verzoek om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in de beroepsfase ten bedrage van € 227,70. Deze vergoeding is toegekend voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zitting en daarvoor is 1 punt toegekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) alsmede een factor 1,5 vanwege samenhang en een factor 1 voor het gewicht van de zaken. Het aan de onderhavige procedure toegekende bedrag bedraagt 1/5 deel van het totale bedrag aan toegekende proceskostenvergoeding in verband met de gezamenlijke behandeling met de overige procedures. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor toekenning van een vergoeding van overige proceshandelingen, omdat de processtukken zijn opgesteld door de partner van belanghebbende en niet door gemachtigde. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Gemachtigde heeft in eerste instantie verzocht om op een zitting te worden gehoord. Na telefonisch onderhoud met de griffier heeft gemachtigde gemeld dat de zaak schriftelijk afgedaan kan worden en dat er geen behoefte is aan een zitting. Overwegingen Belanghebbende voert tegen de uitspraak van de rechtbank in de kern aan dat de rechtbank voor de door gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend. Belanghebbende stelt dat gemachtigde bij de gehele procedure betrokken is geweest en verwijst ter onderbouwing naar afschriften van facturen van gemachtigde. Naast het bijwonen van de zitting stelt gemachtigde de processtukken die door (de partner van) belanghebbende zijn opgesteld te hebben gecontroleerd en deze ook te hebben besproken met (de partner van) belanghebbende. Verder verliep de correspondentie via het kantoor van gemachtigde. Derhalve is er volgens belanghebbende sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De inspecteur betwist dat gemachtigde betrokken is geweest bij de opmaak en indiening van het beroepschrift, en ziet geen aanleiding voor toekenning van een hogere kostenvergoeding dan de rechtbank reeds heeft toegekend. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan gemachtigde kennelijk meent, in de bestreden uitspraak niet is geoordeeld dat geen sprake zou zijn van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Immers, voor de rechtsbijstand van gemachtigde tijdens de zitting is door de rechtbank op grond van het Besluit 1 punt toegekend. De rechtbank begrijpt het verzet van belanghebbende aldus dat belanghebbende stelt dat ook beroepsmatig bijstand is verleend voor andere proceshandelingen dan de aanwezigheid ter zitting en dat daarvoor door de rechtbank ten onrechte geen vergoeding is toegekend. De rechtbank is van oordeel dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding dan reeds is toegekend bij de bestreden uitspraak. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Artikel 1 van het Besluit bepaalt dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op de aldaar genoemde kosten, waaronder de onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.