RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummers: 02-160421-22 + 02-209721-22 + 02-219002-21 (TUL) + 02-072161-19 (TUL) vonnis van de meervoudige kamer van 28 december 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , thans verblijvende aan de [verblijfplaats] , raadsvrouw mr. S. van de Voorde, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 december 2022, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met parketnummers 02-219002-21 en 02-072161-19 en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder parketnummers 02-160421-22 en 02-209721-22 gevoegd. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: parketnummer 02-160421-22: feit 1: opzettelijk brand heeft gesticht in en bij een woning; feit 2: een jerrycan heeft gestolen; parketnummer 02-209721-22: een fiets heeft gestolen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht ten aanzien van parketnummer 02-160421-22 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte brand heeft gesticht, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, en de jerrycan heeft gestolen, zoals onder feit 2 tenlastegelegd. Hij baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte zelf, het forensisch onderzoek en de aangifte van [aangever 1] . Ten aanzien van parketnummer 02-209721-22 is de officier van justitie van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de fiets heeft gestolen. Hij baseert zich daarbij op de aangifte en op de bekennende verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van parketnummer 02-160421-22 kan de rechtbank niet tot het wettig en overtuigend bewijs komen van de onder feit 1 tenlastegelegde brandstichting. De brand is niet opzettelijk ontstaan. Ook van voorwaardelijk opzet was geen sprake. Weliswaar heeft verdachte peuken weggegooid tussen de matrassen op zijn bed en gesteld kan worden dat de aanmerkelijke kans bestond dat door het weggooien van peuken brand tussen de matrassen kon ontstaan. Verdachte is zich echter niet bewust geweest van die aanmerkelijke kans en heeft deze dan ook niet aanvaard. Hij handelde onder invloed van een psychische stoornis, waarbij hij zelfs stemmen hoorde. Daarnaast was hij onder invloed van veel alcohol, cocaïne en wiet. Gelet daarop was verdachte zich waarschijnlijk nergens van bewust. De belangrijkste contra-indicatie dat verdachte zich bewust was van de kans, blijkt uit het gegeven dat hij zodanig overvallen was door de brand, dat hij uit het raam van de slaapkamer drie meter naar beneden is gesprongen en zichzelf daarbij heeft verwond. Ook de opvolgende brandstichting door verdachte in de tuin van een jerrycan benzine getuigt ervan dat verdachte zich van zijn handelen niet bewust was. Nu niet gesteld kan worden dat de aanmerkelijke kans op de brand bewust aanvaard is, dient verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken te worden. Ten aanzien van de brand in de tuin van de onderbuurvrouw, heeft verdachte verklaard dat hij een jerrycan benzine uit de schuur van de buurvrouw heeft gepakt en deze in de tuin in brand heeft gestoken. Dat er levensgevaar of gevaar op zwaar lichamelijk letsel voor personen was, blijkt volgens de verdediging niet uit het dossier en verdachte dient van dat onderdeel vrijgesproken te worden. De diefstal van de jerrycan, zoals onder feit 2 tenlastegelegd, en de diefstal van de fiets, zoals onder parketnummer 02-209721-22 tenlastegelegd, zijn door verdachte bekend en kunnen bewezen worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in zijn slaapkamer van het door hem bewoonde appartement, brandende peuken heeft weggegooid tussen de matrassen van zijn bed. De algemene ervaringsregels leren dat door dergelijk handelen de kans op een brand aanmerkelijk is. Gebleken is dat ook daadwerkelijk brand is ontstaan. Gelet op het dossier kan niet bewezen worden dat verdachte vol opzet had op het veroorzaken van die brand. De vraag is vervolgens of verdachte wel de aanmerkelijke kans dat die brand zou ontstaan door het weggooien van die peuken bewust heeft aanvaard en daarmee voorwaardelijk opzet op die brand gehad. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier duidelijk is geworden dat verdachte al langere tijd kampt met ernstige psychiatrische problematiek, al dan niet versterkt door de middelenintoxicatie. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier echter onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat bij verdachte ten tijde van het delict het volledig inzicht in de reikwijdte van zijn handelen ontbrak. Dat verdachte zich van de aanmerkelijke kans bewust is geweest, blijkt naar het oordeel van de rechtbank daarnaast voldoende uit het handelen van verdachte. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij herhaaldelijk sigaretten, zonder deze te doven, tussen zijn matrassen gegooid. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze handelingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties voorafgaand of tijdens het gooien van de peuken is niet gebleken. Uit de handelingen van verdachte nadat de brand is ontstaan kunnen naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicaties van doorslaggevend gewicht worden afgeleid, nu verdachte verklaard heeft eerst van de brand te willen vluchten via de trap, hetgeen hem vanwege de rookontwikkeling onmogelijk werd gemaakt. Dat verdachte daarna uit het raam is gesprongen om aan de brand te ontkomen, is gezien de omstandigheden en de ontstane risico’s niet ongebruikelijk. Daar komt bij dat het nuttigen van alcohol, cocaïne en wiet volledig voor rekening van verdachte komt en niet als verontschuldiging gebruikt kan worden voor zijn handelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het ontstaan van de brand heeft aanvaard en daarmee voorwaardelijk opzet had op het ontstaan van de brand in zijn slaapkamer. Ten aanzien van het in brand steken van de jerrycan met benzine is de rechtbank van oordeel dat verdachte vol opzet had op die brand. Dit volgt uit zijn bekennende verklaring bij de politie. De rechtbank verwerpt het verweer dat met het in brand steken van de jerrycan met benzine geen levensgevaar of gevaar op zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan. Uit het dossier blijkt dat [aangever 1] en andere buurtbewoners van aangrenzende woningen en appartementen thuis waren, dat de vlammen in de tuin hoog oplaaiden en het forensisch onderzoek wijst uit dat ook door die brand voor hen gevaar is ontstaan. Aangezien verdachte ten aanzien van de diefstal van een jerrycan, tenlastegelegd onder feit 2 van parketnummer 02-160421-22, en ten aanzien van de diefstal van een fiets, tenlastegelegd onder parketnummer 02-209721-22, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 december 2022 (parketnummer 02-209721-22); - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (parketnummer 02-160421-22, feit 2), opgenomen op de pagina 30 en 31 van het eind proces-verbaal met nummer 2022080978; - het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , opgenomen op pagina’s 20 en 21 van het eind proces-verbaal met nummer 2022080978 (parketnummer 02-160421-22, feit 2) - het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , opgenomen op pagina’s 3 en 4 van het eind proces-verbaal met nummer PL2000-2022219841 (parketnummer 02-209721-22). 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: parketnummer 02-160421-22: 1 op 30 maart 2022 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, opzettelijk brand heeft gesticht door brandende peuken weg te gooien tussen de matrassen en door open vuur in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan het matras en andere goederen in de slaapkamer en een jerrycan geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor in die woning aanwezige goederen en voor belendende panden en voor die in die belendende panden aanwezige goederen, en levensgevaar voor de bewoners in die belendende panden of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners in die belendende panden te duchten was; 2 op 30 maart 2022 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, een jerrycan, die aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; parketnummer 02-209721-22: op 18 augustus 2022 te Goes een fiets, die aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de feiten van parketnummer 02-160421-22 aangevoerd dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van psychiatrische problematiek en middelenproblematiek. Verdachte zou stemmen in zijn hoofd gehoord hebben en hij heeft aangegeven dat het leek alsof er iemand in zijn lichaam was gekropen. Het gegeven dat verdachte brand heeft gesticht in de tuin meteen na de brand in de slaapkamer, strookt niet met de schrikreactie die verdachte na de brand in de slaapkamer heeft laten zien waarbij hij van 3 meter hoog naar beneden sprong en gewond is geraakt. Dit maakt dat geconcludeerd moet dat de psychiatrische problematiek van verdachte dusdanig was dat de feiten hem niet toegerekend kunnen worden. Verzocht wordt om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van de feiten van parketnummer 02-160421-22 verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. Hij gaat daarbij uit van hetgeen in het reclasseringsrapport staat vermeld, alsmede verder uit het dossier blijkt omtrent de psychiatrische problematiek van verdachte. 5.3 Het oordeel van de rechtbank In het dossier bevindt zich geen actuele rapportage van deskundigen over de persoon van verdachte. De rechtbank heeft dan ook gekeken naar gegevens in het dossier en het reclasseringsrapport om de toerekeningsvraag te kunnen beantwoorden. Uit het dossier wordt duidelijk dat bij verdachte al geruime tijd sprake is van psychiatrische problematiek. Hierbij speelt ook middelenproblematiek een rol. Het bestaan van de problematiek kan onder meer worden ontleend aan de door de verdediging overlegde “machtigingen tot het verlenen van verplichte zorg aansluitend op een zorgmachtiging” van 4 april 2022 en 24 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.