RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/3914 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , wonende in Zwitserland, belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 juni 2021. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.704 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 323 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd. 1.4. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen, [inspecteur] en [inspecteur]. De rechtbank heeft op verzoek, belanghebbende uitgenodigd om online (via Microsoft Teams) aan de zitting deel te nemen. De rechtbank heeft op 1 november 2022 een verdagingsverzoek van belanghebbende ontvangen. Dit verzoek is door de rechtbank bij brief van 3 november 2022 afgewezen. Belanghebbende heeft, met kennisgeving, digitaal niet aan de zitting deelgenomen. 2Feiten 2.1. Belanghebbende, geboren op 10 september 1953, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Zwitserland. 2.2. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, voor het jaar 2017 de aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2017 ingediend. Volgens de aangifte bedraagt de uitkering van het ABP € 36.257 en is de daarop ingehouden Nederlandse loonheffing € 9.410. 2.3. De inspecteur is bij de aanslagregeling van de aangifte afgeweken en heeft de aanslag met dagtekening 11 augustus 2020 vastgesteld. Daarbij is het belastbare inkomen uit werk en woning, na aftrek van het restant persoonsgebonden aftrek van € 22.087, vastgesteld op € 9.704. Daarnaast is een te verrekenen loonheffing van € 2.784 in aanmerking genomen. 2.4. De inspecteur heeft een renseignement van het APB overgelegd. Daarin staat vermeld dat het totale loon voor 2017 € 31.791 is en dat de loonheffing daarover € 2.784 bedraagt. 3Beoordeling door de rechtbank 3.1. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is. Indien het beroep ontvankelijk is, beoordeelt de rechtbank of de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het jaar 2017 kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Vooraf 3.2. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank een e-mail van belanghebbende ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank op 30 november 2022 een nader stuk van belanghebbende ontvangen. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten, hetgeen onder meer inhoudt dat geen nadere stukken meer kunnen worden ingediend. De rechtbank ziet in het e-mailbericht en het nadere stuk van belanghebbende geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. De rechtbank laat de stukken dan ook buiten beschouwing bij de beoordeling van het geschil. De rechtbank voegt wel een kopie van de stukken toe aan het dossier en stuurt tevens een afschrift van de stukken, met deze uitspraak, aan de wederpartij. Ontvankelijkheid 3.3. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 2 juni 2021. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 14 juli 2021. De rechtbank heeft het beroepschrift van belanghebbende ontvangen op 13 september 2021. In beginsel is het beroepschrift te laat ingediend. Deze termijnoverschrijding kan verschoonbaar zijn indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 3.4. Belanghebbende stelt in zijn beroepschrift dat hem uit telefonische informatie is gebleken dat de inspecteur op 2 juni 2021 uitspraak op bezwaar heeft gedaan en dat de uitspraak naar een foutief adres is verzonden. 3.5. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat het niet is uit te sluiten dat de uitspraak op bezwaar naar het oude adres van belanghebbende is gestuurd. Belanghebbende heeft echter niet exact aangegeven hoe en wanneer hij dan wel op de hoogte is geraakt van het bestaan van de uitspraak op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat de onduidelijkheid in de verzending raakt aan de rechtsgeldige bekendmaking van de uitspraak op bezwaar en daarmee aan de beroepstermijn. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval mag de onduidelijkheid hierover niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. De rechtbank acht de mogelijke termijnoverschrijding reeds daarom verschoonbaar. Het beroep is daarom dus ook in dat geval, ontvankelijk. Inhoudelijk 3.6. Belanghebbende heeft verzocht een belastingteruggaaf van € 13.461 te verlenen. Het genoten ABP-pensioen bedraagt volgens hem € 59.916 waarop € 24.445 aan loonheffing is ingehouden. Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat hij recht heeft op aftrek inzake (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.