RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster II Civiele handelszaken Breda zaak/rolnr.: 391946 KGZA 21-545 vonnis in kort geding d.d. 7 januari 2022 inzake [eiser] , wonende te [woonadres] , eiser, hierna te noemen: “ [eiser] ”, advocaat: mr. E.J. van der Doe te Breda, tegen de besloten vennootschap [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, hierna te noemen: “ [gedaagde] ”, advocaat: mr. R. van der Lugt te Breda. 1Het verloop van het geding 1.1. De procesgang blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 7 december 2021 met producties; de conclusie van antwoord met producties; de pleitnota van [eiser] ; e pleitnota van [gedaagde] ; de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de gehouden mondelinge behandeling van 21 december 2021. 1.2. [eiser] heeft per e-mailbericht van 20 december 2021 nog een viertal producties toegezonden aan de voorzieningenrechter. Nu niet is komen vast te staan dat deze ook zijn ontvangen door de wederpartij, worden deze stukken buiten beschouwing gelaten. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1. [eiser] vordert bij voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - [gedaagde] te gebieden om, per ommegaande maar uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis, aan [eiser] een leesbare kopie te overleggen van alle inkoopfacturen die door [gedaagde] zijn voldaan in de periode december 2016 tot en met april 2018 en die betrekking hebben op het door [gedaagde] in opdracht van [eiser] uitgevoerde werk aan de [adres] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in strijd handelt met dit vonnis dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsom; - [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, de kosten van de advocaat en het griffierecht daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de kostenveroordeling binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kostenveroordeling vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren. 2.2. [gedaagde] voert verweer. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3De beoordeling 3.1. Tussen partijen staan – voor zover van belang - de volgende feiten in rechte vast: [eiser] , tevens familielid van [gedaagde] , heeft eind 2016 aan [gedaagde] opdracht gegeven voor het bouwen van een huis aan het adres [adres] (hierna: “de woning”); partijen zijn overeengekomen dat de werkzaamheden zouden plaatsvinden op basis van regie, waarbij een prijs werd betaald voor de gewerkte uren en het gebruikte materiaal; tijdens de bouw zijn er strubbelingen ontstaan tussen partijen, waarna de samenwerking is beëindigd. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de afrekening van het uitgevoerde werk en de geleverde materialen. Over dat geschil loopt momenteel een bodemprocedure bekend onder het zaaknummer 8028272 CV EXPL 19-4277. In deze procedure is door [eiser] in (voorwaardelijke) reconventie afgifte gevorderd van de originele inkoopfacturen die betrekking hebben op de bouw van de woning; [gedaagde] heeft een specificatie verstrekt van de geleverde en verwerkte materialen en de bestede uren; Vereniging Eigen Huis heeft op 23 juli 2020 een keuring verricht van (een deel van) de woning en daarvan een rapportage opgesteld; Vebidak heeft op 16 november 2020 een rapportage opgesteld inzake het onderzoek naar de uitgevoerde dakbedekkingswerkzaamheden; na de beëindiging van de samenwerking zijn door derden nog (herstel-) werkzaamheden verricht aan de woning. 3.2. [eiser] baseert de vordering tot afgifte van de stukken op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eiser] stelt dat het van groot belang is dat hij zo spoedig mogelijk beschikking krijgt over alle inkoopfacturen die door [gedaagde] zijn voldaan in de periode december 2016 tot en met april 2018 en die betrekking hebben op het door [gedaagde] in opdracht van [eiser] uitgevoerde werk aan de [adres] (hierna: “de inkoopfacturen”). [eiser] stelt hierbij verschillende rechtmatige belangen te hebben. Zo is het noodzakelijk om voor het doen van onderzoek naar de herstelwerkzaamheden te weten welke materialen zijn toegepast. Daarnaast wenst [eiser] te controleren of [gedaagde] opslagen en/of (btw-)bedragen ten onrechte aan hem in rekening heeft gebracht. Ook wil hij vaststellen of hij een gerechtvaardigd beroep op dwaling heeft gedaan. Dit is van belang voor zover in de bodemprocedure komt vast te staan dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, welke [eiser] buitenrechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling. Verder wil [eiser] toekomstige kopers kunnen informeren over welke materialen gebruikt zijn en welke garanties daar op van toepassing zijn. Voorts stelt [eiser] dat tussen partijen een rechtsbetrekking tot stand is gekomen, te weten de overeenkomst aanneming van werk, en dat [gedaagde] de bescheiden - waarvan hij afgifte vordert – onder zich houdt, zodat aan alle eisen van artikel 843a Rv is voldaan. Ook stelt [eiser] dat [gedaagde] verplicht is om aan hem rekening en verantwoording af te leggen. 3.3. [gedaagde] betwist gehouden te zijn tot afgifte van de inkoopfacturen. Daartoe voert zij aan dat niet aan de voorwaarden van artikel 843a Rv wordt voldaan. Zo heeft [eiser] geen (spoedeisend) belang bij deze vordering, aangezien dezelfde vordering tot inzage in de inkoopfacturen ook is ingesteld in de reeds drie jaar aanhangige bodemprocedure. Ook uit de rapportages volgt niet van een spoedeisend belang, nu de eerste dateert van oktober 2020 en er geen termijnen zijn vermeld voor het doen van noodzakelijke werkzaamheden. Daarnaast is op de aan [eiser] toegezonden specificatie van [gedaagde] duidelijk te zien welk materiaal is gebruikt en hoeveel van dit materiaal is gebruikt, waardoor [eiser] voldoende informatie heeft om nader onderzoek te doen naar de vermeende gebreken in de woning en/of het verrichten van herstelwerkzaamheden. Bovendien blijkt uit het feit dat er reeds herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd en onderzoek is verricht naar de vermeende gebreken dat [eiser] de inkoopfacturen niet nodig heeft en hier dus geen belang bij heeft. Voorts voert [gedaagde] aan dat partijen met elkaar over de opslagen en/of (btw-) bedragen in 2018/2019 afspraken hebben gemaakt, zodat ook hier een belang voor [eiser] ontbreekt. 3.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 843a Rv vier cumulatieve voorwaarden verbindt aan de toewijsbaarheid van een vordering tot overlegging van stukken. Deze voorwaarden luiden als volgt: 1) op het moment van instellen van de vordering moet er sprake zijn van een rechtmatig belang bij inzage, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd moet deze tot zijn beschikking of onder zijn berusting hebben. 3.5. De voorzieningenrechter onderscheidt in de door [eiser] gestelde belangen de volgende: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.