← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:8296

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 96-324516-20 rk-nummer: 22-008164 Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 15 april 2022, in de zaak: [verzoeker] geboren op [geboortedag] 1975, te [geboorteplaats] , woonplaats kiezende ten kantore van mr. P. Th. van Alkemade, Oranje Nassaulaan 18, 5211 AX in ’s-Hertogenbosch. Verzoeker is [verzoeker] voornoemd. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:  het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 302,50, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 9 februari 2022; de schriftelijke reactie van de officier van justitie. Op 22 juni 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. R.M.A. in ’t Veld en mr. Van Alkemade, gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek aanwezig geweest. Namens verzoeker is aangevoerd dat hem een transactie was opgelegd en dat hij die nooit heeft gekregen en toen later werd uitgenodigd voor een zitting bij de kantonrechter. Toen pas werd er beslist om de zaak te seponeren omdat het feit oud was. Een transactie is echter geen schuldbekentenis. Hij wilde bijstand vanwege de transactie die hij niet had gekregen en zijn oproep voor de kantonrechter. De raadsman acht het redelijk en billijk om deze kosten toe te kennen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet redelijk en billijk is om de kosten te vergoeden omdat verzoeker een strafbaar feit heeft gepleegd en daarom de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad. De zaak is dan ook niet geseponeerd omdat verzoeker geen strafbaar feit heeft gepleegd, maar slechts omdat de zaak erg oud was. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman. Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker de tegen hem gerezen verdenking en de daarop volgende kosten van rechtsbijstand aan zichzelf te wijten heeft gehad. Uit het voor de raadkamer beschikbare dossier en het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat verzoeker is aangehouden voor onverzekerd rijden. Hij heeft daarmee een strafbaar feit gepleegd. De zaak is geseponeerd vanwege de oudheid van het feit. Dit betreft derhalve een beleidssepot. Gelet hierop acht de rechtbank geen gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Nu het verzoek tot toekennen van een vergoeding worden afgewezen, wijst de rechtbank ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer af. 3De beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af. Deze beslissing is op 6 juli 2022 gegeven door mr. E.B. Prenger, rechter, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2022. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.