← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:1256

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 20/9507 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben, verbonden aan Previcus Vastgoed B.V.), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Oosterhout), de heffingsambtenaar, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid). 1Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak bekrachtigt de rechtbank het compromis tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar betreffende de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 oktober
  2. Daarnaast beslist de rechtbank op het nevenverzoek van belanghebbende. 1.
  3. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Bij beschikking van 29 februari 2020 is de WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2020 vastgesteld op € 418.
  4. Gelijktijdig is de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar opgelegd en is de aanslag watersysteemheffing eigenaren bekend gemaakt. 1.
  5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. 1.
  6. De rechtbank heeft het beroep niet op een zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek bij brieven van 16 januari 2023 gesloten. 2Overwegingen 2.
  7. Partijen hebben op 11 januari 2023 bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel de waarde in het economische verkeer van de woning per waardepeildatum 1 januari 2019 nader moet worden vastgesteld op € 380.
  8. De rechtbank merkt in dat verband het volgende op: een beroep tegen de beschikking WOZ is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB (artikel 24, negende lid, van de Wet WOZ). Deze bepaling strekt zich niet uit tot de aanslag watersysteemheffing eigenaren. Omdat belanghebbende tegen de aanslag watersysteemheffing eigenaren geen gronden heeft aangevoerd, kan de rechtbank het tussen partijen gesloten compromis in zoverre niet in deze uitspraak bekrachtigen. 2.
  9. Naast het inhoudelijke compromis zijn partijen een vergoeding in de proceskosten van belanghebbende overeengekomen. Deze kosten zijn tussen partijen vastgesteld op een bedrag van € 1.847,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 296 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het voorbereiden van de zitting met een waarde per punt van € 837). De rechtbank heeft geen reden gezien om partijen hierin niet te volgen. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. 2.
  10. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. Partijen verzoeken de rechtbank de vergoeding van immateriële schade vast te stellen. De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. In de uitspraak op bezwaar staat dat het bezwaarschrift op 16 maart 20202 is ontvangen. In het verweerschrift van de heffingsambtenaar staat dat het bezwaarschrift (dagtekening 12 maart 2020) op 12 maart 2020 is ontvangen. De rechtbank gaat voor de ontvangstdatum van het bezwaarschrift dan ook uit van 12 maart
  11. De rechtbank is van oordeel dat het geschil inzake de vaststelling van de hoogte van de WOZ-waarde van de woning en van de aanslag OZB met de e-mail van 11 januari 2023 ten einde is gekomen, zodat het tijdsverloop na 11 januari 2023 buiten beschouwing moet blijven. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 10 maanden overschreden. Belanghebbende heeft - uitgaande van € 500 per overschrijding per half jaar of een deel daarvan - recht op een schadevergoeding van € 1.
  12. Omdat de bezwaarfase afgerond 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maand te lang, komt 1/10 deel (zijnde € 100) voor rekening van de heffingsambtenaar, en de rest (€ 900) voor rekening van de Staat der Nederlanden (de minister). De rechtbank merkt de minister in zoverre mede aan als partij in dit geding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 380.000 en vermindert de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig; veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 100; veroordeelt de minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 900; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.847,50 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 48 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 24 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.