RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-289123-22 rk.nummer: 22-026131 Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] ,geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],wonende te [woonadres],hierna te noemen: klager. Klager heeft in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle, op het adres Tilburgseweg 213, 5051 AG Goirle. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 6 november 2022 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen klager in beslag zijn genomen: een personenauto van het Audi A3 voorzien van het [kenteken] (hierna: de Audi) en een geldbedrag van 240 euro; het klaagschrift, ingediend op 16 november 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv; de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 28 februari
- Gehoord zijn de officier van justitie, mr. G. Oosteveld, klager en mr. W.J.M. van der Putten als raadsman van klager. De belanghebbende, zijnde [belanghebbende] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan een ander dan klager. Daartoe is aangevoerd dat de op 6 november 2022 in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer onder klager inbeslaggenomen Audi en het geldbedrag van 240 euro toebehoren aan de vader van klager, zijnde [belanghebbende]. Klager had de Audi geleend van zijn vader. Zijn vader is afhankelijk van het vervoer met de Audi in verband met veelvuldige bezoeken aan het ziekenhuis Het in de auto aangetroffen geldbedrag was bestemd voor reparatie van de auto. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag op de Audi gehandhaafd dient te blijven nu zij het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de Audi zal bevelen. Uit het dossier blijkt voldoende dat klager en niet zijn vader, [belanghebbende], de feitelijke eigenaar is van de Audi. De raadsman heeft in aanvulling op het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat hij geen enkele reden ziet om het beslag te handhaven. In aanvulling op het verzoek heeft [belanghebbende] een eigendomsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat de Audi op zijn naam staat. Bovendien had [belanghebbende] de Audi pas drie dagen in zijn bezit alvorens deze in beslag werd genomen. De Audi dient te worden teruggegeven aan [belanghebbende] of aan klager. Hetzelfde geldt voor het inbeslaggenomen geldbedrag. Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat de Audi pas op vrijdag op naam van zijn vader is gezet. Klager heeft de Audi vervolgens alleen gebruikt om ’s avonds even weg te gaan en om op zondag de auto voor zijn vader te wassen. Het inbeslaggenomen geldbedrag is van zijn vader en was bestemd voor reparatie van de Audi. Zijn vader is 83 jaar oud en niet meer heel erg bij de tijd. 2De beoordeling De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend. Klager heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen niet gesteld de rechthebbende te zijn, maar gesteld dat deze toebehoren aan zijn vader [belanghebbende]. Onder die omstandigheden is klager geen belanghebbende. De klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag. De wet kent bovendien niet de mogelijkheid dat op verzoek van een klager teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan een ander dan die klager wordt gelast, zodat klager ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beklag. 3De beslissing De rechtbank: - verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift. Deze beslissing is op 14 maart 2023 gegeven door mr. T.M. Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart
- INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).