RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-318103-22 vonnis van de meervoudige kamer van 22 maart 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1978 te [geboorteplaats 1] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht, Kerkeplaat 25, 331 LC Dordrecht, raadsman mr. N.A. Koole, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 maart 2023, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 november 2021 tot en met 16 juni 2022 te Bruinisse meermalen seksueel is binnengedrongen bij zijn minderjarige stiefdochter [slachtoffer] . 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. De gehele ten laste gelegde periode kan bewezen worden, gelet op de verklaring van het slachtoffer. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de gehele ten laste gelegde periode, gelet op de verklaring van verdachte en de verklaring van het slachtoffer. Slechts de periode vanaf april 2022 kan worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de verklaring van het [slachtoffer] . Pleegperiode Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. In zijn verklaring van 5 december 2022 heeft verdachte verklaard dat hij een dag voor de verhuizing van Vlissingen naar Bruinisse, dus op 31 oktober 2021, zijn penis tussen de benen van [slachtoffer] heeft gedaan en dat deze seksuele handeling herhaaldelijk plaatsvond tot april 2022. Op de zitting heeft verdachte aanvullend verklaard dat in die periode onderdeel van deze seksuele handeling was dat hij met zijn penis tegen de clitoris van [slachtoffer] wreef. Daarbij moet hij zijn penis tussen de schaamlippen hebben bewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad valt deze handeling onder seksueel binnendringen in de zin van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft verder verklaard dat hij [slachtoffer] vanaf april 2022 seksueel heeft binnengedrongen door zijn penis in haar vagina te duwen/brengen en dat dit herhaaldelijk plaatsvond tot en met 16 juni 2022, de dag waarop de moeder van [slachtoffer] verdachte heeft betrapt. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het seksueel binnendringen plaatsvond in de tenlastegelegde periode van 1 november 2021 tot en met 16 juni 2022. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op tijdstippen in de periode van 1 november 2021 tot en met 16 juni 2022 te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duiveland, met een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] -2011, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, gelet op straffen die doorgaans voor soortgelijke zaken worden opgelegd. Hij ziet geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel te eisen gelet op de persoon van verdachte en zijn proceshouding. Vanwege de taalbarrière zijn behandeling en begeleiding geen reële opties. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk, gelet op de straffen die doorgaans voor soortgelijke zaken worden opgelegd, de bekentenis van verdachte, het feit dat hij een first offender is en de mogelijkheden die de reclassering ziet tot begeleiding en behandeling. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zeven en een halve maand herhaaldelijk schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige stiefdochter [slachtoffer] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door zijn penis in haar vagina te duwen/brengen. Deze handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar 10 jaar oud was en zij vonden plaats op haar slaapkamer waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen. [slachtoffer] maakte deel uit van het gezin van verdachte en werd mede door hem verzorgd en opgevoed. Als haar moeder niet thuis was, was zij aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd. Verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van zijn morele overwicht op [slachtoffer] , ook gezien het grote leeftijdsverschil, en daarbij in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat zij in hem als verzorger en opvoeder mocht stellen. Er is daarmee sprake van de strafverzwarende grond zoals opgenomen in artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft met deze handelingen op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten nog langdurig nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit het rapport van de reclassering van 28 februari 2023, en de toelichting van de raadsman van [slachtoffer] op de vordering benadeelde partij, blijkt dat [slachtoffer] tot op heden nog psychische gevolgen ondervindt van het handelen van verdachte. Zij is onder behandeling van een psycholoog. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte herhaaldelijk heeft aangegeven dat [slachtoffer] het initiatief tot de handelingen nam en hij het enkel voor haar genot heeft gedaan. Verdachte legt hiermee de verantwoordelijkheid voor het misbruik ten onrechte bij het jonge slachtoffer. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en moeten beschermd worden tegen personen die op seksueel gebied misbruik van hen maken. Ook als verdachte de indruk had dat [slachtoffer] de seksuele handelingen niet erg vond, wat overigens – met uitzondering van de verklaring van verdachte – niet blijkt uit het dossier, had hij van elke vorm van seksueel contact moeten afzien. Als volwassene is verdachte hiervoor volledig verantwoordelijk. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting spijt betuigd voor zijn handelen, maar de rechtbank stelt vast dat hij desondanks geen enkel inzicht heeft laten zien in het verwerpelijke van zijn handelen.Ook heeft het handelen van verdachte grote impact op het gezin waar [slachtoffer] onderdeel van uitmaakt. Verdachte heeft het vertrouwen geschaad dat het gezin in hem als vader en partner mochten hebben. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan en het bepaalt in overwegende mate de straf die de rechtbank passend en geboden acht. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor zedenfeiten is veroordeeld. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld nu bij verdachte onvoldoende probleembesef of inzicht in zijn delictgedrag bestaat. Zij ziet geen beschermende factoren nu verdachte zijn woning, zijn gezin en zijn werk kwijt lijkt te zijn. De reclassering acht behandeling en begeleiding geïndiceerd, zodat risico’s kunnen worden uitgediept om te voorkomen dat verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking komt voor soortgelijke feiten. De reclassering adviseert in haar rapport om bij een deels voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden op te leggen. Deze bijzondere voorwaarden bestaan uit een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] . Voorts dient zicht te komen op het contact met de kinderen die verdachte met zijn ex-partner heeft. De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de reclassering over. In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij niet eerder voor een zedenfeit is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een gevangenisstraf verdachte extra zwaar zal vallen omdat hij de taal onvoldoende machtig is om goed contact met medegevangenen te onderhouden, waardoor hij extra eenzaam zal zijn. Gelet op de aard en ernst van de feiten, zoals hiervoor uiteengezet, kan echter niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Een forse vrijheidsstraf is op zijn plaats. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden acht de rechtbank een passend uitgangspunt voor de op te leggen straf. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de straffen die doorgaans voor dit soort feiten worden opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om ten nadele van verdachte af te wijken van de eis van de officier van justitie nu zij, gelet op de ernst van de omstandigheden en de persoon van verdachte, een reëel gevaar voor herhaling ziet van soortgelijke strafbare feiten en van oordeel is dat het vanuit veiligheidsoogpunt niet verantwoord is de verdachte na detentie zonder enig toezicht terug te laten keren in de maatschappij en de situatie van een gezin met (jonge) kinderen. De rechtbank zal dan ook een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden wederom tot een (dergelijk) strafbaar feit over te gaan en om reclasseringsbegeleiding en toezicht mogelijk te maken. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, passend. De rechtbank zal daarvan zes maanden in voorwaardelijke zin opleggen Daaraan verbindt de rechtbank de algemene voorwaarden en de volgende bijzondere voorwaarden, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.