← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:1894

HTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/2987 WW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker (gemachtigde: mr. T.H.M.M. Kusters), en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 26 januari 2021 (primair besluit) heeft het UWV aan verzoeker een uitkering toegekend op grond van artikel 61 van de Werkloosheidswet (WW) wegens de betalingsonmacht van zijn werkgever [naam werkgever] In het besluit van 3 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van verzoeker dat gericht was tegen de berekening van deze uitkering ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het besluit van 20 december 2022 heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten de WW-uitkering over een langere periode te berekenen en aan verzoeker een nabetaling te doen. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld dat het zich kan vinden in het vergoeden van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep. Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is het UWV tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst erop dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot het UWV moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.