RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 21/1715 BRE 21/1716 BRE 21/1717 BRE 21/1718 BRE 21/1720 BRE 21/1721 BRE 21/1722 BRE 21/1723 BRE 21/1725 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde], hierna: de gemachtigde), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda), de heffingsambtenaar, en de minister van Justitie en Veiligheid, de minister. 1Inleiding 1.
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade dat is gedaan in het kader van negen beroepsprocedures tegen de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 maart
- 1.
- De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 29 februari 2020 door middel van een verzamelbiljet aan belanghebbende onder meer de onderhavige waarde-beschikkingen voor het jaar 2020 toegezonden (hierna: de beschikkingen). De beschikkingen zijn vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Tegelijk zijn (onder meer) ook aanslagen onroerendezaakbelastingen opgelegd (hierna: de aanslag OZB). De beschikkingen en de aanslagen OZB hebben betrekking op in Nederland gelegen onroerend goed dat in eigendom is bij belanghebbende (partijen genoegzaam bekend). 1.
- Partijen hebben een bezwaarprocedure doorlopen, welke is geëindigd met bovengenoemde uitspraak op bezwaar. 1.
- Belanghebbende is in beroep gekomen en de heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Gedurende de beroepsprocedure zijn op meerdere momenten stukken uitgewisseld door partijen. Uit de stukkenwisseling blijkt dat in februari 2023 tussen partijen een compromis tot stand is gekomen over de negen aan de orde zijnde beschikkingen, de vergoeding voor de kosten van bezwaar en over de kosten van het indienen van het beroepschrift. Daarop heeft belanghebbende schriftelijk kenbaar gemaakt de beroepsprocedures in te trekken onder gelijktijdig verzoek tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. 1.
- De rechtbank heeft aanleiding gezien de beroepen op zitting te behandelen. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart
- Dit betrof een hybride zitting. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (ter zitting verschenen) en namens de heffingsambtenaar: [heffingsambtenaar] (via beeldverbinding aanwezig). 2Overwegingen 2.
- Ter zitting is gesproken over onder meer het verloop van de procedure, de aanloop naar de zitting, de met de zitting samenhangende proceskosten en de vergoeding voor immateriële schade. Partijen hebben ter zitting eenparig verklaard dat uitsluitend nog op het verzoek tot vergoeding van immateriële schade moet worden beslist. Dat doet de rechtbank in deze uitspraak. 2.
- De rechtbank ziet in hetgeen de heffingsambtenaar heeft aangevoerd geen aanleiding om de toekenning van de schadevergoeding achterwege te laten. 2.
- De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de, in één document vervatte, bezwaarschriften (hierna: het bezwaarschrift). Het bezwaarschrift is op 8 april 2020 door de heffingsambtenaar ontvangen. De redelijke termijn van twee jaar is dan met afgerond 11 maanden overschreden, inachtnemend dat tijdens de stukkenwisseling (zie 1.4) over het materiële geschil reeds tot overeenstemming is gekomen en de zitting gericht is geweest op het procesverloop en nevenverzoeken. Belanghebbende heeft - uitgaande van € 500 per overschrijding per half jaar of een deel daarvan - recht op een schadevergoeding van € 1.
- Van de overschrijding zijn 12 minus 6 is 6 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en 5 maanden aan de beroepsfase. De heffingsambtenaar zal daarom worden veroordeeld tot vergoeding van 6/11 x € 1.000 oftewel € 545 en de minister tot vergoeding van € 455.De rechtbank heeft de minister in zoverre mede aangemerkt als partij in dit geding. 3Beslissing De rechtbank: veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 545; veroordeelt de minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van €
- Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 23 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Zie Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128