RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/405402 / JE RK 23-101 Datum uitspraak: 8 maart 2023 Beschikking kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling), betreffende [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] . Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek met bijlagen van de GI van 16 januari 2023, ingekomen bij de griffie op dezelfde dag; - de e-mailberichten van de moeder van 1, 2 en 6 maart 2023; - het verweerschrift van de moeder van 6 maart 2023. Op 8 maart 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: - [minderjarige 1] , die apart is gehoord; - de vader; - twee vertegenwoordigsters van de GI. Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn de moeder en [minderjarige 2] niet verschenen. De feiten Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. Bij beschikking van 18 maart 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 18 maart 2023. Bij beschikking van 11 mei 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, van 11 mei 2022 tot 18 maart 2023. Op grond van deze machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. Het verzoek De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, ook voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De standpunten [minderjarige 1] , afzonderlijk gehoord, heeft onder meer het volgende verklaard. Sinds mei 2022 woont zij samen met [minderjarige 2] bij de vader. De eerste dagen bij de vader waren moeilijk, maar nu gaat het goed en zij is blij om bij de vader te zijn. Dit geldt ook voor [minderjarige 2] . Hierdoor gaat het beter met hun beiden. Er is op dit moment geen contact met de moeder. [minderjarige 1] vindt dat erg jammer. Zij wil graag contact met de moeder hebben. Het liefst heeft zij, en ook [minderjarige 2] , een regeling van co-ouderschap met haar beide ouders volgens de ‘week op, week af’ regeling. [minderjarige 1] mist een aantal eigen spullen die nog bij de moeder thuis liggen. Zij betreurt dat de moeder deze spullen niet aan haar wil afgeven. [minderjarige 1] is het eens met de verzoeken van de GI. Hulp van een derde is volgens haar nog steeds nodig. De vertegenwoordigsters van de GI hebben, aanvullend, naar voren gebracht dat beide maatregelen voor een jaar noodzakelijk zijn. De huidige jeugdzorgwerker is sinds een week betrokken bij het gezin. De situatie is erg complex. Van belang is dat er een relatie wordt opgebouwd met de moeder, zodat er gewerkt kan worden aan herstel van het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de moeder. De vader werkt adequaat mee. De bedoeling is dat er uiteindelijk sprake is van een regeling van co-ouderschap van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met beide ouders. Voor het slagen daarvan is herstel van de oudercommunicatie essentieel. De vader is het eens met de verzoeken van de GI. Van belang is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact hebben met hun beide ouders. Hij geeft aan dat hij in het voortraject al had aangegeven dat hij, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens waren met het verzoek en dat zij geen behoefte hadden aan een mondelinge behandeling en dat het daarom schriftelijk kon worden afgedaan. Het is juist de moeder geweest die heeft verklaard behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. Daarom vindt de vader het kwalijk dat de moeder, zonder bericht, niet aanwezig is tijdens de mondelinge behandeling. Deze behandeling is immers op haar verzoek gepland. Overigens is de vader niet verbaasd dat de moeder niet is verschenen, omdat van haar bekend is dat zij structureel niet bij een mondelinge behandeling aanwezig is. De kinderrechter begrijpt uit de overgelegde e-mailberichten en het verweerschrift van de moeder dat zij het niet eens is met de verzoeken van de GI. De moeder wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per direct bij haar worden teruggeplaatst. Zij wil dat mevrouw [naam 1] , mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] als getuigen worden gehoord. Daarnaast wil de moeder een andere behandeldag van de verzoeken en ook dat voor de mondelinge behandeling op de nog nader te bepalen dag 90 tot 120 minuten worden gereserveerd. De beoordeling De kinderrechter overweegt als volgt. Bij het begin van de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter aan de GI en de vader voorgehouden wat de verzoeken van de moeder zijn. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om de behandeling, met een behandeltijd van 90 of 120 minuten, op een latere datum te laten plaatsvinden heeft de kinderrechter aangegeven dat daarover al eerder een beslissing is genomen, inhoudende dat, mede gezien de afloopdatum van de lopende maatregelen, een latere planning niet mogelijk is. Daarnaast is een latere behandeling, met een verlenging van de maatregelen voor een korte periode, op de mondelinge behandeling bespreekbaar, als daarvoor een noodzaak blijkt. Wat de behandeltijd zelf betreft, bij de mondelinge behandeling wordt daarvoor de tijd uitgetrokken die benodigd is. Nu de moeder niet bij de mondelinge behandeling aanwezig is, kunnen haar verzoeken niet nader worden besproken. De kinderrechter oordeelt dat er geen reden wordt gezien om terug te komen op de eerdere beslissing om de inhoudelijke behandeling vandaag te laten plaatsvinden. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om getuigen te horen overweegt de kinderrechter als volgt. Mevrouw [naam 1] was volgens de moeder tot 1 januari 2023 werkzaam als [functie] bij de gemeente [plaats] Mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] zijn de voormalige jeugdzorgwerkers van het gezin geweest, aldus de moeder. De kinderrechter is niet duidelijk waarover (een van) deze getuigen moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.